8.
Belastingdienst/Ondernemingen Goes
(februari
2002)
De
Belastingdienst/Ondernemingen Goes heeft zich in haar conflict met
Trading Advice/Broersma gemanifesteerd als een poel van verderf waaruit
een soort weerbarstig, en bovendien boosaardig, Loch Ness-achtig fiscaal
monster is ontsnapt. Omdat de bron van het conflict, met meerdere
Overheidsinstanties, bij de Belastingdienst/Ondernemingen Goes ligt,
wordt er onder deze menukeuze ook meer aandacht aan details besteed.
Uit het verloop van het
conflict, en uit gevonden documenten in mijn dossier bij de
Belastingdienst/Ondernemingen Goes is duidelijk geworden, dat de
Belastingdienst mij al jaren lang, in het geniep, als een fraudeur
gestigmatiseerd had. Uit een intern document van de Belastingdienst, dat
ik op 13 juni 2001 op het belastingkantoor Goes ontdekt had, bleek ik
ingedeeld te zijn in de zwaarste risicoklasse "E"
– "Fraude". Hoewel de
Belastingdienst mij dit nooit heeft medegedeeld, heeft zij mij wel
jarenlang behandeld, alsof ik een fraudeur zou zijn, met een krankzinnig
gedrag van dezelfde Belastingdienst als kenmerk. Uit niets is evenwel
gebleken, of zou hebben kunnen blijken, dat er een aanwijzing of een
aanleiding was, om mij dit stigma toe te kennen.
Nadat een medewerker van
Trading Advice, middels manipulaties, een grote financiële schade
veroorzaakt had voor Trading Advice en haar klanten, toonde de
Belastingdienst, hoewel zij dit nooit duidelijk heeft toegegeven, grote
interesse voor Trading Advice, dan wel voor mijn persoon. Op mijn vraag
of deze opmerkelijke belangstelling werd ingegeven door mijn FIOD
verleden, werd op verschillende momenten, en door verschillende
ambtenaren, ontkennend geantwoord. Ik had ooit wel eens, ver voor de
oprichting van Trading Advice, een duidelijk onjuiste belastingaangifte
gedaan, wat tot een FIOD onderzoek leidde. Deze fout heb ik evenwel
erkend, en ik heb met de Belastingdienst afgerekend. Ook heb ik,
hiervoor, voor de rechter verantwoording afgelegd. Wanneer de
Belastingdienst van plan geweest is, om mij als actief ondernemer uit
het economisch verkeer te elimineren (en al haar handelingen wijzen
daarop), dan is zij daar uitstekend in geslaagd. Dat de Belastingdienst
daarvoor moest frauderen, is voor haar nooit een hindernis geweest.
In april 1995 kreeg Trading
Advice een wel zeer uitgebreid boekenonderzoek. Dat twee ambtenaren op
mijn kantoor vier dagen lang mijn werkelijk kleine boekhouding, extreem
uitvoerig controleerden en onderzochten, waarbij werkelijk ieder
papiertje of aantekening "vanonder tot boven"
werd bekeken, bankafschriften nauwkeurig werden nagespeurd, vond ik op
zich verdacht. Het eerste teken, het eerste harde bewijs, voor het foute
gedrag en foute beslissingen van de Belastingdienst bleek reeds op de
eerste dag van het (te) uitgebreide boekenonderzoek van Trading Advice
door de Belastingdienst/Ondernemingen Goes. De leiding van het
boekenonderzoek had de heer Weering, en hij werd geassisteerd door de
heer Adriaanse.
Op die eerste dag van het
boekenonderzoek ontnam de Belastingdienst Trading Advice plots klaps het
ondernemerschap voor de inkomstenbelasting, omdat, zo zei de heer
Weering, volgens de Belastingdienst niet Trading Advice de ondernemer
was, maar de, wegens manipulaties, ontslagen medewerker. Dit was echter
een volstrekt onjuiste, en zelfs onlogische gedachte. Aanleiding voor
die gedachte was een, inderdaad, niet juiste contractuele verhouding
tussen Trading Advice en, doch slechts, enkele van haar klanten. Deze
onvolkomenheid was bij pas bij controle gebleken, en was mij niet
bekend. Er bestond geen enkele reden of aanleiding, om aan te nemen, dat
deze fout met opzet zou zijn aangebracht, bijvoorbeeld, om te misleiden.
Wat een krankzinnige gedachte, mededeling en
beslissing, om Trading Advice haar ondernemerschap om deze reden te
ontnemen! De Belastingdienst had tevens de onvergeeflijke fout
gemaakt, om de overige klanten van Trading Advice, waarmee de
contractuele verhoudingen wel in orde waren, volstrekt te negeren. Deze
fout viel evenwel direct te controleren, en had direct gecorrigeerd
kunnen worden, hetgeen de beide ambtenaren nalieten te doen. Verder had
de tekortkoming van de contractuele verhouding ogenblikkelijk opgelost
kunnen worden met enkele telefoontjes naar de desbetreffende relaties,
en naar de ontslagen medewerker, alsmede mijn eigen verklaring. Het is
vreemd, verdacht en onacceptabel, dat de beide ambtenaren mijn, toch
logische, voorstellen dienaangaande afwezen. Toen ik opmerkte, dat,
wanneer ik geen ondernemer zou zijn, zij dan onmiddellijk konden
vertrekken, werd ik, uit nood, bedacht met een "voorwaardelijk
ondernemerschap"! Voor zo’n handeling bestaat evenwel geen
enkele wettelijke grondslag. De arme mannen waren totaal van slag. Dit
stond kennelijk niet in het draaiboek, dat op het Belastingkantoor,
misschien ook nog wel door andere ambtenaren, uitgedacht moet zijn
geweest. Tijdens een koffiepauze bij mij in de tuin vroeg ik de heer
Weering naar het waarom van het rare gedrag en de vreemde beslissingen
van de Belastingdienst. Hij zei letterlijk; "Ach
meneer Broersma, u weet toch wel, hoe wij in Goes over u denken?".
Meer wilde de ambtenaar niet kwijt. Toen ik deze opmerking van april
1996 plaatste naast mijn ontdekking van de risicoklasse "Fraude"
in juni 2001, werd mij veel duidelijk.
Natuurlijk kon de
Belastingdienst de krankzinnige ontkenning van het ondernemerschap niet
overeind houden. Toch duurde het nog zeven maanden na het
boekenonderzoek, voordat het controlerapport van het onderzoek de
ondernemerschappen inkomsten- en omzetbelasting, terecht, bevestigde.
Tijdens de lange wachttijd die de Belastingdienst ongemotiveerd zelf
bepaald had, bleek er op het Belastingkantoor evenwel een nieuw gedrocht
uitgedacht te zijn. De fiscaal technische duiding van de belangrijkste
activiteit van Trading Advice die "vermogensbeheer"
heette, was door de Belastingdienst, geheel ten onrechte en zonder
uitleg, veranderd in "bemiddeling".
Nu ik, in 2001, van de kant van de Overheid, meer inzicht heb gekregen
in het conflict Trading Advice versus de Overheid, en tevens in de
mentaliteit van de Belastingdienst, durf ik de stelling aan, dat deze
beslissing niet om een vaktechnische reden is genomen, doch puur om mij,
met mijn firma Trading Advice, te dwarsbomen. De duiding "bemiddeling"
is zo onlogisch en zo onterecht, dat boze opzet, zeker in relatie tot
het stigma "Fraude", wat mij
betreft, niet meer valt te ontkennen.
Vervolgens negeerde de
Belastingdienst de juiste, en geheel correcte, argumentatie van mijn
accountant voor de juiste duiding "vermogensbeheer"
volledig. Een door mij, speciaal voor het geschil om de duiding,
ingehuurde fiscaal specialist kon de, op dat moment door de
Belastingdienst als hoogst bevoegd gepresenteerde, ambtenaar, de heer
Mulder, niet overtuigen van het ongelijk van de Belastingdienst. Met
instemming van de heer Mulder werd het beantwoorden van de vraag over de
juiste fiscaal technische duiding van de activiteiten van Trading Advice
op 25 april 1996 aan het Ministerie van Financiën, de heer Lengkeek,
voorgelegd. De heer Mulder verklaarde schriftelijk en nadrukkelijk aan
het Ministerie, dat we het over alles eens waren, behalve over de
fiscaal technische duiding van de activiteiten van Trading Advice.
Alleen over die duiding diende het Ministerie zich dan ook slechts uit
te spreken! Zoals gebruikelijk vroeg het Ministerie van Financiën de
Belastingdienst/Ondernemingen Goes om raad en bericht. In wezen had, op
dat moment, de Belastingdienst haar obstructie (haar bizarre missie)
tegen Trading Advice reeds verloren, omdat de hernoemde handelingen van
Trading Advice alleen als "vermogensbeheer"
geduid konden worden. Trading Advice had haast met de uitspraak van het
Ministerie, omdat zij inmiddels door het herhaald geklungel van de
Belastingdienst verdacht was geraakt bij haar relaties. En dit had voor
Trading Advice direct financiële consequenties.
Toen het verzoek om raad en
bericht de eenheid bereikte, sprong onverwacht een duivel uit de zwarte
doos, die de Belastingdienst soms is, en liet één fraudeur (uit het
complot) zijn gezicht zien. Al was ik mij daar op dat moment nog niet
van bewust. Het gezicht was Fred Tromp, vakgroepcoördinator
omzetbelasting. De heer Tromp bleek zich niet zo maar gewonnen te geven.
De trukendoos van de Belastingdienst ging open. Het vertrouwensbeginsel,
alsmede alle besprekingen en afspraken met en tussen de Belastingdienst
en Trading Advice, tot dat moment, werden volledig ter zijde geschoven,
en totaal genegeerd. Lees goed! De heer Tromp wilde eerst de
ondernemerschappen onderzoeken die zijn eigen Belastingdienst net,
gedurende zeven maanden, uitvoerig had onderzocht, en die door haar in
het controlerapport juist bevestigd waren! Ik kon aan dit bedrog
absoluut niet meewerken, en ik beklaagde mij bij het toenmalig hoofd van
de eenheid, de heer John van Grinsven. Deze inspecteur bepaalde op 15
oktober 1996, en bevestigde het op 27 januari 1997 nogmaals, dat niet
mocht worden teruggekomen op het ondernemerschap voor de
inkomstenbelasting, omdat het vertrouwensbeginsel prevaleert. Deze
laatste bevestiging heeft hij telefonisch gedaan, omdat hij toen niet
meer op de eenheid Goes werkte, en waarvan een memo is opgenomen in het
dossier bij de Belastingdienst/Ondernemingen Goes.
Desondanks vond de heer
Tromp, dat het ondernemerschap voor de omzetbelasting wel betwijfeld
mocht worden!(?) Pas na de bespreking van 15 oktober 1996, informeerde
de heer Tromp op 22 oktober 1996, zes maanden na het verzoek om raad en
bericht, het Ministerie van Financiën middels zijn ambtsbericht.
Terwijl bij de Belastingdienst de hele tijd bekend was, dat Trading
Advice in ernstige tijdnood was geraakt. Er wordt momenteel hemel en
aarde bewogen om te verhinderen, dat ik van de inhoud van dit antwoord
kennis zal nemen (zie ook menukeuze "14. Wet
Openbaarheid Bestuur (WOB) en de media"). De heer Tromp moet
met zijn bericht, en met zijn tussenberichten, indianenverhalen aan het
Ministerie verteld hebben, en er moet daar een afgrijselijk beeld van
mij zijn ontstaan. Anders kan ik niet verklaren, waarom het gezond
verstand bij het Ministerie volledig afwezig bleek. Kennelijk leende de
heer Lengkeek zich niet voor het plegen van bedrog, en daarom werd
mevrouw Ellie Vrouwenvelder, die zich blijkbaar wel voor het plegen van
foute handelingen wilde lenen, met de vraag van de duiding belast. Mijn
dringend en vriendelijk verzoek aan haar om op te schieten met haar
antwoord, werd door haar zelfs weggehoond. Ik moest deze arrogante
mevrouw door de Vaste Kamercommissie van Financiën van de Tweede Kamer
der Staten Generaal onder druk laten zetten, om snel een uitspraak te
doen over de duiding. Zij koos, hetgeen mij achteraf niet meer
verwonderd, voor de foute keuze "bemiddeling"!(?)
Inmiddels had de
Belastingdienst/Ondernemingen Goes een nieuw hoofd van de eenheid, de
heer Henk Raspe (november 1996). Toen ik hem mijn verhaal, mijn
ontevredenheid, mijn tijdnood en bezorgdheid voor het voortbestaan
van
mijn bedrijf vertelde, deelde hij mij mede, dat het gedrag van de
Belastingdienst zeker geen schoonheidsprijs verdiende, dat het allemaal
veel te lang geduurd had, en dat hij mij zou helpen. Uit documenten uit
mijn dossier bij de Belastingdienst blijkt, dat de heer Raspe, twee
dagen na mijn bezoek bij hem, door de complotteurs was "bijgepraat".
Zijn toegezegde steun veranderde onmiddellijk in praktische
tegenwerking. Van de inhoud van de documenten waarmee de heer Raspe is
"bijgepraat", en van het verslag
van ons kennismakingsgesprek met zijn toezeggingen, mag ik natuurlijk
ook geen kennis nemen (zie ook menukeuze "14.
Wet Openbaarheid Bestuur (WOB) en media"). Ik waarschuwde de
heer Raspe, dat de heer Tromp de kluit zwaar belazerde. De heer Raspe
liet na de juiste handelingen te verrichten, en ging de heer Tromp zelfs
"in het kwaad" steunen.
Op 6 januari 1997 vond er op
mijn verzoek een cruciaal gesprek plaats bij de
Belastingdienst/Ondernemingen Goes. Mijn relaties hadden mij om
definitieve opheldering gevraagd omtrent de reden van het vreemde gedrag
en de vreemde beslissingen van de Belastingdienst tegenover mijn bedrijf
en/of mijn persoon. Meer in het bijzonder verlangden zij van de
Belastingdienst nu eindelijk de bevestiging, dat Trading Advice door de
Belastingdienst als ondernemer en als vermogensbeheerder was gekend, en
erkend. Indien ik geen definitieve ontlastende opheldering zou kunnen
geven, dan zou de samenwerking met Trading Advice onmiddellijk worden
beëindigd. De Belastingdienst was hiervan zowel mondeling als
schriftelijk op de hoogte gebracht. Mijn externe adviseur assisteerde
mij bij dat gesprek, en van de Belastingdienst waren er de heren Raspe,
Tromp en Van Klinken (inkomstenbelasting). Tijdens het gesprek gingen de
hakken van de Belastingdienst nog dieper in het zand, en de gemaakte
fouten werden allemaal, door de heren Raspe en Tromp, ontkent, waardoor
ik de, door de relaties, verlangde opheldering niet kon geven. De heer
Van Klinken, voor het eerst bij het conflict betrokken, vond dat de heer
Tromp geen gelijk had met zijn standpunt, dat de activiteiten van
Trading Advice als bemiddeling waren te duiden. De heren Tromp en Raspe
luisterden niet eens naar de heer Van Klinken. Trading Advice en de heer
Van Klinken zouden op dat punt pas in juni 1998 van het Ministerie van
Financiën gelijk krijgen, toen het Ministerie haar eerdere foute keuze,
van november 1996, voor "bemiddeling"
corrigeerde in de juiste keuze "vermogensbeheer".
Maar toen was het al te laat.
Op 7 januari 1997 heb ik,
noodgedwongen, Trading Advice beëindigd.
Hoewel de Belastingdienst
reeds in haar, kennelijke, opzet, het elimineren van Trading Advice,
geslaagd was, legde de heer Tromp, als extra zekerheid dat Trading
Advice niet zou herrijzen, nog een zware steen op haar graf. Per brief
van 10 februari 1997 deelde de heer Tromp (vakgroepcoördinator
omzetbelasting, de specialist op de eenheid) mede, dat Trading Advice
weliswaar ondernemer voor de inkomstenbelasting was, maar dat haar (na
haar beëindiging S.B.) het ondernemerschap voor de omzetbelasting was
ontnomen!(?). Dit had hij gedaan, omdat Trading Advice, zo deelde hij
mede, gedurende een periode niet tegen vergoeding gewerkt had. Hij vond
dit een goed "nader opkomend argument",
om alsnog op het ondernemerschap voor de omzetbelasting terug te mogen
komen. In de jurisprudentie is aanvaard, dat een "nader
opkomend argument" gebruikt mag worden om een zaak nog eens
te bekijken. Maar het "nader opkomend
argument", zoals de heer Tromp het gebruikte, berustte niet
op waarheid, het heeft zelfs nooit bestaan. De heer Tromp deed, ter
onderbouwing van zijn bedrog, alsof Trading Advice in het geheel niet
tegen vergoeding had gewerkt. En daarvan had hij eerder zelf ook al
gezegd, dat deze bewering niet juist was! Het was de heer Tromp zelfs
bekend, dat Trading Advice tegen vergoeding werkte! Het selectief
geheugen van de heer Tromp had hem duidelijk in de steek gelaten. Hij
was uiteindelijk onvermijdelijk in zijn leugens verstrikt geraakt. Op 14
april 1998 verklaarde mijn moeder schriftelijk aan De Nationale
Ombudsman, over de telefoon gehoord te hebben, dat de heer Tromp tijdens
een telefoongesprek met mij had gezegd, mijn dossier niet goed te
kennen.
Voor
niet fiscaal ingewijden: het is volgens de wet niet mogelijk, dat er een
ondernemerschap voor de inkomstenbelasting bestaat zonder een
ondernemerschap voor de omzetbelasting (zie ook menukeuze "9.
Ministerie van Financiën, de Belastingdienst" en "10.
Bewindslieden"). Bovendien
stond ook het vertrouwensbeginsel een ontkenning in de weg. Wanneer het
achteraf ontnemen van het ondernemerschap voor de omzetbelasting van
Trading Advice wel juist zou zijn geweest, dan zou de Belastingdienst
Trading Advice vervolgens ook het ondernemerschap voor de
inkomstenbelasting ontnomen moeten hebben. Deze maatregel zou
noodzakelijk geweest zijn, om te verhinderen, dat Trading Advice ten
onrechte een fiscaal voordeel uit haar, dan niet terechte,
ondernemerschap genoten zou hebben. De heren Raspe en Tromp bleken
zichzelf als fraudeurs ontmaskerd te hebben.
Het
vertrouwensbeginsel en vertrouwen.
In het conflict Trading
Advice versus de Overheid is onder meer in het geschil of het
vertrouwensbeginsel is geschonden, en of dat er anderszins vertrouwen is
geschonden.
Uit het
rechtszekerheidsbeginsel (of vertrouwensbeginsel) vloeit voort, dat het
bestuur moet handelen overeenkomstig hetgeen zij zelf in het
vooruitzicht heeft gesteld. Daar moet de burger op kunnen vertrouwen.
Bij het uitoefenen van zijn
bevoegdheden moet de inspecteur te allen tijde de algemene beginselen
van behoorlijk bestuur in acht nemen. Daartoe behoort ook het beginsel,
dat de inspecteur door hem bij de belastingplichtige gewekt vertrouwen
honoreert.
Gelet op het hiervoor
vermelde, hebben de in het controlerapport van 2-11-1995 gedane
mededelingen tot gevolg, dat moet worden aangenomen, dat bij
belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen is opgewekt, dat
beide ondernemerschappen voor Trading Advice aanwezig waren.
Mede van belang is ook, dat
in het aanvaarden van het ondernemerschap voor de inkomstenbelasting het
feit ligt opgesloten, dat de ondernemersdoelstellingen van Trading
Advice door de Belastingdienst geaccepteerd zijn.
Deze gegevens veranderen
absoluut niet, omdat de heer Tromp, op een deelgebied, een andere mening
is toegedaan. De heer Tromp was ten eerste duidelijk te laat met zijn
bezwaren tegen zoiets essentieels als het, reeds uitdrukkelijk
aanvaarde, ondernemerschap. Daarbij was het fiscaal-technisch niet
mogelijk, om Trading Advice alleen het ondernemerschap voor de
omzetbelasting te ontnemen, zoals hij beslist had. Extra schrijnend is
bovendien, dat het voor de rechtvaardiging voor een nadere afweging
aangevoerde "nader argument",
welke handeling in de jurisprudentie op zich is aanvaard, hier in het
geheel niet heeft bestaan. Dat bewees een aanvullend boekenonderzoek
door zijn collega Jan Boer. Daarbij was de gedachtegang van de heer
Tromp fiscaal-technisch ook volstrekt onlogisch, en kon zij eigenlijk
maar tot één –kennelijk vooropgezet- doel leiden: Trading Advice
tegen elke prijs de nek omdraaien. De reden hiervoor is onbekend, en
bevindt zich nog in de zwarte doos van de Belastingdienst. Hoe hoog die
prijs kennelijk mocht zijn, bleek onder meer uit de gepleegde fraude
door de elite van de Belastingdienst, en uit de (bewuste) misleiding van
Hare Majesteit door zowel de staatssecretaris, als door de minister van
Financiën.
Ik ben tevens van mening,
dat het standpunt van de inspecteur, om (1) een deel van de activiteiten
niet als "vermogensbeheer" maar
als "bemiddeling" te
kwalificeren, en dat (2) het ontkennen van het ondernemerschap voor de
omzetbelasting zo zeer in strijd is met een juiste wetstoepassing, dat
ik erop mocht vertrouwen, dat de inspecteur beide gemaakte fouten,
zonder dat hij daartoe zou worden gedwongen, zou corrigeren.
De brief van de heer Tromp
van 10 februari 1997 betekende voor mij een geweldige trap na. Het deed
mij nog verder in de put zinken, waarin ik reeds geraakt was door de
misdaden van de Belastingdienst. Ik was geestelijk volledig uitgeput.
Het gehele jaar 1997 was ik in zeer zware geestelijke problemen, met als
dieptepunten moordplannen en heftige suïcidale neigingen. Dat er in
deze periode geen ongelukken zijn gebeurd, heb ik voornamelijk aan een
flinke portie geluk, en aan het voortreffelijke optreden van mijn
huisarts te danken. Deze man stond altijd voor mij klaar, hij luisterde,
liet mij razen, schelden en huilen. In december 1996 maakte hij per
brief zelfs zijn grote bezorgdheid over mijn welzijn aan de heer Raspe
kenbaar, en vroeg hem, mij a.u.b. serieus te nemen, en naar mij te
luisteren. De heer Raspe reageerde niet op dit verzoek, en zette zijn
crimineel gedrag onverstoord voort.
In 1998 krabbelde ik weer
wat op, en begon ik het mij aangedane onrecht te bestrijden. De
Nationale Ombudsman werd ingeschakeld, ik ging het Ministerie van
Financiën en de Belastingdienst/Ondernemingen Goes bestoken. De
bewering van de heer Tromp, dat Trading Advice niet tegen vergoeding
gewerkt had, berustte niet op waarheid, en was er door de heer Tromp als
doelredenatie bijgehaald (Broersma was toch murf geslagen, en zijn
bedrijf was inmiddels geëlimineerd).
Het was ook voor de
Belastingdienst volstrekt begrijpelijk, dat, door de manipulatie van
haar medewerker, de inkomsten van Trading Advice, sterk negatief
beïnvloed waren. Hetgeen concreet betekende, dat Trading Advice als
gevolg van die manipulaties maar een, in relatie tot de verwachtingen,
gering inkomen had. Dit gegeven was uitvoerig met de ambtenaren van de
Belastingdienst besproken, en door hen geaccepteerd. Alleen paste dit
gegeven duidelijk niet in de "killing"
strategie van de heer Tromp, de exponent van de zwarte doos van de
Belastingdienst, die zich pas later met de zaak was gaan bemoeien.
Daarom negeerde hij dit gegeven niet alleen volledig, hij ontkende het
zelfs. Onder invloed van zulke herhaalde boevenstreken was mijn relatie
met de Belastingdienst/Ondernemingen Goes ernstig verstoord.
De heer De Ruiter van het
Ministerie van Financiën die beslist had, dat de activiteiten geen
"bemiddeling" maar "vermogensbeheer"
dienen te heten, bemiddelde tussen de Belastingdienst en mij. Hij vond
een, volgens hem, onpartijdige en onbevooroordeelde ambtenaar bij de
Belastingdienst in Goes, de heer Jan Boer, bereid om nog eens naar mijn
boekhouding te kijken, om de door de heer Tromp niet aanwezig geachte
vergoedingen, op te sporen. Voordat het aanvullende boekenonderzoek
plaatsvond, kwam ik met de heer Boer op het Belastingkantoor in Goes
overeen, dat wanneer hij tijdens het onderzoek vergoedingen zou vinden,
hij en alleen hij, zou beslissen, dat er, in weerwil van de opmerking
van de heer Tromp (brief februari 1997), toch sprake zou zijn van
ondernemerschap voor de omzetbelasting. Deze toezegging valt ook in een
intern document van de Belastingdienst te lezen. Dat een beslissing in
mijn voordeel een beslissing in het nadeel van zijn chef (Raspe) en
collega’s (waaronder Tromp) zou zijn, zou volgens hem de uitkomst van
het onderzoek niet mogen en kunnen beïnvloeden. Hij drukte mij op het
hart, dat hij onpartijdig en onbevooroordeeld was. Dat lijkt zuiver,
maar wat zou ik nog door deze man bedrogen worden!
In juli 1998 vond de heer
Boer meerdere vergoedingen en snuffelde hij, buiten de afspraak om, wat
langer in mijn boekhouding (kennelijk op zoek naar voor mij negatieve
informatie). Mijn vermoeden destijds
werd
onderbouwd door een document, dat ik in juni 2001 in mijn dossier bij de
Belastingdienst vond. Want hoewel de heer Boer slechts naar vergoedingen
kwam zoeken, en hij onbevangen zou zijn, bleek hij er rekening mee te
houden, dat er "strafrechterlijke zaken"
boven water konden komen. Tevens bleek deze onpartijdige heer Boer de
factor "schadeclaim" in zijn
overweging te hebben betrokken. Dit zijn toch duidelijke aanwijzingen,
dat er achter mijn rug iets gaande was bij de Belastingdienst.
Natuurlijk had de Belastingdienst al lang door, dat zij volledig fout
handelde. Hoe kon de heer Jan Boer, met droge ogen beweerd hebben, dat
hij onpartijdig en onbevooroordeeld was. Ook hij bleek corrupt te zijn,
hij zat gewoon mee in het complot. Toen ik de heer Boer, na het
boekenonderzoek, om zijn belangrijke conclusie vroeg, zei hij mij, dat
het hem "van boven" verboden was,
om nog met mij te praten. Hij besliste dus niets, en ook hij had mij
keihard bedrogen. Met blij gemoed richtte ik mij tot de heer Raspe met
het, voor mij, goede nieuws van de gevonden vergoedingen. Maar wat voor
mij goed nieuws was, was uiteraard slecht nieuws voor het
bedriegercollectief. De heer Raspe reageerde hevig geïrriteerd, en
betichtte mij van herhaling van zetten, en weigerde zelfs nog met mij te
communiceren, tenzij het een fiscaal technisch onderwerp zou zijn. Ik
verzocht de heer Raspe om als een gewone belastingplichtige behandeld te
worden. De heer Raspe schreef mij, dat hij mij als ieder andere
belastingplichtige behandelt, hetgeen door later gevonden documenten, en
door het feit dat de Belastingdienst mij volledig negeerde, werd
gelogenstraft. Toen ik mijn dossier bij de Belastingdienst/Ondernemingen
Goes in juni 2001 inzag, ontdekte ik ook een instructie, dat alleen de
heer Raspe nog met mij mocht communiceren. En de heer Raspe zweeg mij
vervolgens volledig dood, ondanks zijn schriftelijk toezegging, dat ik
als een normale belastingplichtige behandeld zou worden. Dat kan
blijkbaar bij de Belastingdienst.
Ik vroeg twee keer mondeling
(aan de heer Raspe) en drie keer schriftelijk om het controlerapport van
het aanvullende boekenonderzoek, welk rapport feitelijk actief verstrekt
dient te worden. Ik bleef volledig door de Belastingdienst genegeerd
worden. Er kwam geen enkele reactie van de Belastingdienst, dus ook geen
rapport. In november 1999 verzocht ik dan maar via een WOB-verzoek om
mijn controlerapport (wat een waanzin!),
waarna ik het rapport in december 1999 ontving. Omdat het rapport de
belangrijke vergoedingen vermeldde, schreef ik mijn rapport "Wanneer
Macht corrumpeert" (11-2-2000), en bezorgde dit rapport bij
de heer Raspe. De heer Raspe heeft, ondanks zijn toezegging op fiscaal
technische zaken te zullen reageren, nooit enige reactie op dit rapport
gegeven. En dat is wel begrijpelijk, omdat dit rapport feilloos de vloer
aanveegt met de standpunten van de heer Raspe en zijn roversbende.
Omdat de
Belastingdienst/Ondernemingen Goes niet meer met mij communiceerde,
wendde ik mij, in mei 2000, rechtstreeks tot de Directeur-Generaal van
de Belastingdienst, mevrouw Thunnissen. Ik verzocht haar mijn klagen
direct te onderzoeken, en onmiddellijk de heren Raspe en Tromp, wegens
ernstige misdaden, te schorsen. Waarom de heren nog niet geschorst zijn,
valt te lezen bij de menukeuze "9. Ministerie
van Financiën, de Belastingdienst". Met mevrouw Jenny
Thunnissen, de hoogste ambtenaar van de Belastingdienst, raakten we met
zijn allen, alle belastingplichtigen, van de wal in de sloot.
In juni 2001 had ik inzage
in mijn dossier bij de Belastingdienst/Ondernemingen Goes. Hier vond ik
o.a. het document waarop vermeld staat, dat ik ben ingedeeld in de
risicoklasse "E" – "Fraude".
Opdat ik dit niet te weten zou komen, had de Belastingdienst deze
gegevens weggelakt. Ik heb ze desondanks toch kunnen lezen. Meerdere
voor de Belastingdienst bezwaarlijke documenten, die mijn beschrijving
van het conflict ondersteunen, zijn mij onder ogen gekomen. Deze
documenten ondersteunen mijn gelijk, en het beeld dat ik schets over het
bedrieglijk handelen door de betroffen ambtenaren. Een aantal documenten
wordt mij, m.i. ten onrechte, in het kader van de WOB,
uitzonderingsgrond 11, eerste lid, geweigerd (meer hierover bij de
menukeuze "14. Wet Openbaarheid Bestuur (WOB)
en de media". Bezwaar- en beroepsprocedures lopen momenteel.
Er is mij vaak gevraagd
waarom ik niet naar de rechter gegaan ben met de geschillen over de
duiding en het ondernemerschap. Het antwoord luidt simpel. Tegen het
veranderen van de fiscaal technische duiding heb ik te laat bezwaar
aangetekend, en voor het geschil over het ondernemerschap is nooit een
rechtsingang geweest. De volgende uitleg is soms technisch, en geeft
tevens een volgend bewijs voor het niet juiste gedrag van de
Belastingdienst.
Nadat de Belastingdienst de
activiteiten van Trading Advice, ten onrechte, de duiding "bemiddeling"
had gegeven, ging dat gepaard met een naheffingsaanslag omzetbelasting.
Tegen deze naheffingsaanslag heb ik te laat bezwaar aangetekend. Hoewel
ik er geen beroep op gedaan heb, was er destijds wellicht wel sprake van
een "verschoonbare termijnoverschrijding".
Ik was door de Belastingdienst zwaar geraakt, en uit mijn evenwicht
gebracht met haar ontkenning van het ondernemerschap van Trading Advice.
Mijn bedrijf zou niet bestaan. Deze beslissing had direct grote
financiële consequenties voor Trading Advice en mijn
geestesgesteldheid. De foute beslissing zou zelfs, geheel ten onrechte,
de nekslag hebben kunnen betekenen voor mijn bedrijf. De keuze door de
Belastingdienst voor "bemiddeling"
was zo driest en fout, dat ik er ook nog, ten onrechte, van uitgegaan
ben, dat de Belastingdienst haar fout onmiddellijk zou inzien, en zou
corrigeren. Dat bleek een naïeve gedachte. Maar aan een complot, het
stigma "Fraude" en boze opzet
dacht ik toen nog niet.
De Belastingdienst zegde mij
evenwel een ambtshalve afhandeling toe. Daarbij is natuurlijk wel de
druk van de rechter afwezig. Dat gegeven heeft de Belastingdienst ten
volle misbruikt. Uit documenten blijkt, dat het Ministerie in juni 1998
(ambtshalve) "om is gegaan". Zij corrigeerde haar in
november1996 gemaakte foute keuze "bemiddeling"
naar de juiste keuze "vermogensbeheer".
Hiermee verviel dus de grondslag voor de naheffingsaanslag. Door een
kunstgreep van de heer Tromp van de Belastingdienst/Ondernemingen Goes
(opeens was namelijk niet meer de fiscale duiding van de activiteiten
primair in het geding - casus: verricht Broersma h.o. Trading Advice,
belaste of vrijgestelde prestaties voor de BTW - doch het
ondernemerschap voor de omzetbelasting). Op deze manier misbruikte men
tevens het leerstuk van de interne compensatie, nu de bezwaartermijn
tegen de - naar aanleiding van een (boeken)onderzoek – opgelegde
naheffingsaanslag (correctie van de geclaimde voorbelasting) om
bovenvermelde reden ongebruikt was verstreken. Kennelijk gebruikt het
bestuursorgaan nu de bevoegdheid tot het nemen van een besluit opnieuw
voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend (strijd met
het bepaalde in artikel 3:3 Awb). In ieder geval heeft het
bestuursorgaan in redelijkheid niet tot het bestreden besluit kunnen
komen. Men heeft derhalve de belangen verkeerd afgewogen. Verder zijn de
nadelige gevolgen van het besluit voor mij onevenredig in verhouding tot
de met het besluit te nemen doel (strijd met het bepaalde in artikel 3:4
Awb). Bovendien kan de gegeven motivering het bestreden besluit niet
dragen (strijd met het bepaalde in artikel 3:46 Awb).
In eenvoudig termen
samengevat betekent het bovenstaande ongeveer het volgende. Toen in 1998
de grondslag voor de naheffingsaanslag wegviel, omdat het Ministerie van
Financiën alsnog voor "vermogensbeheer"
gekozen had, had de Belastingdienst de naheffingsaanslag dienen te
vernietigen. Om vervolgens onmiddellijk een nieuwe aanslag op te leggen,
maar nu op basis van het ontbreken van het ondernemerschap. Dan had deze
beslissing door de belastingrechter getoetst kunnen worden. Dit heeft de
Belastingdienst niet gedaan. Door de gevolgde strategie was het voor mij
onmogelijk de kwestie van het ondernemerschap bij de rechter te laten
toetsen, er was (handig gespeeld door de Belastingdienst) voor mij geen
rechtsingang. Het is wel duidelijk waarom de heren Tromp en Raspe niet
voor deze handelwijze gekozen hebben. Het feit, dat beide
vakspecialisten hierover in alle talen zwegen, vind ik een
integriteitschending. Het feit, dat een geschil ambtshalve wordt
afgehandeld, geeft ambtenaren niet het recht, het pad der zuiverheid te
verlaten.
Uit het, krampachtig en met
onjuiste argumentatie, voor mij verborgen gehouden ambtsbericht van 22
oktober 1996 van de Belastingdienst/Ondernemingen Goes aan het
Ministerie van Financiën is een onderdeel met een andere voorbeeld van
misleiding toch reeds openbaar geworden. In het kader van zijn
doelredenatie had de heer Tromp het Ministerie medegedeeld, dat Trading
Advice de Belastingdienst niet de juiste administratie, die van een
ondernemer verwacht wordt, voor kon leggen. Zijn opmerking is slechts
ten dele waar, en bovendien was dit gegeven al helemaal niet dramatisch.
Alle informatie, die de heer Tromp nodig had, om zijn standpunt in te
kunnen nemen, was reeds in zijn bezit, maar hij zocht kennelijk nog een
(tover)stok om te kunnen slaan. De klap die de Belastingdienst, in april
1995, aan mij had uitgedeeld, door Trading Advice, tegen alle feiten in,
het ondernemerschap af te nemen, had destijds enorme gevolgen. Als
gevolg van deze beslissing, die een enorme onzekerheid had veroorzaakt,
hadden een aantal relaties hun samenwerking met Trading Advice
onmiddellijk bevroren. Door het niet tot stand komen van o.a.
overeengekomen bedrijfsleningen, met een totale waarde van 0,55 miljoen
euro, werd Trading Advice ernstig in haar voortbestaan bedreigd. Het
niet onmiddellijk beschikbaar stellen van overeengekomen
beleggingskapitaal, in de hoogte van circa 50 miljoen euro, creëerde
weliswaar een financieel nadeel, maar was niet direct bedreigend voor
het voortbestaan van Trading Advice. Reeds gearrangeerd, nog aan te
nemen personeel, moest ik, door de onzekerheid eerst laten wachten, en
later afzeggen, en met iedere dag die ik langer in onzekerheid verbleef,
verslechterde mijn geestelijke gesteldheid hevig, alsmede mijn
financiele positie. Als gevolg van deze gesteldheid, zijn op den duur
delen van de administratie van Trading Advice niet meer op de
gebruikelijke systematische wijze opgeslagen (zoals Trading Advice dat
altijd wel gedaan had, tot de overval van de Belastingdienst), maar
werden documenten deels opgeslagen in dozen. De Belastingdienst wist
dat, en had daar ook geen hinder van.
Als bewijs daarvoor mag het
aanvullende boekenonderzoek van de heer Jan Boer, in juli 1998, gelden.
Hij kon onmiddellijk alle documenten controleren, die voor de controle
vereist waren. Naar aanleiding van het feit van de gedeeltelijke
administratie in dozen, heb ik de Belastingdienst/Ondernemingen Goes
geschreven, dat men een bokser die tegen de regels in knock-out is
geslagen, niet mag verwijten, dat hij niet verder kan vechten. Dat de
heer Tromp ook dergelijke onnozele, misleidende en niet relevante
informatie naar het Ministerie stuurde, diende slechts om een ongunstig
stemmingsbeeld van Trading Advice op te roepen, en om de aandacht van
zijn fouten af te leiden. Door het vermelden van quasi fouten van
Trading Advice kon hij, lange tijd met succes, hopen, dat zijn eigen
ernstige foute handelingen en beslissingen voldoende bedekt zouden
blijven. Uiteindelijk bleek niet alleen de heer Henk Raspe in de valkuil
van de heer Tromp gevallen te zijn, hetzelfde overkwam ook meerdere
ambtenaren en de elite van de Belastingdienst op het Ministerie van
Financiën, evenals de bewinslieden van Financiën.
Maar niet alleen het
Ministerie van Financiën (zij zelfs meermaals) is door de
Belastingdienst/Ondernemingen Goes misleid geworden. In 1998 kreeg ook
De Nationale Ombudsman van deze Belastingdienst niet de juiste en
onvoldoende gegevens aangeleverd, waaruit de Ombudsman een juiste
conclusie had kunnen trekken. Dat De Nationale Ombudsman zich wel erg
gewillig met een kluitje in het riet liet sturen, staat vermeld bij de
menukeuze "13. De Nationale Ombudsman".
In mijn pogingen om
documenten uit mijn dossier bij de Belastingdienst/Ondernemingen Goes in
mijn bezit te krijgen, gebruik ik de WOB. En ook op dit gebied probeert
de Belastingdienst mij weer te bedriegen. De heer Theo Droste van de
Belastingdienst/Ondernemingen Goes schreef mij in juni 2001, dat hij er
niet in kon slagen de persoonlijke beleidsopvattingen uit documenten te
schonen van de feiten, omdat deze grootheden door elkaar zouden staan.
Dat kan evenwel niet, omdat de staatssecretaris van één van deze
documenten reeds in 1998 al had medegedeeld, dat het document begint met
een opsomming van feiten (zie ook de menukeuze "14.
Wet Openbaarheid Bestuur (WOB) en de media"). Dus ook de
goedlachse en immer vriendelijke Theo Droste zit in de zak van de
dienst. Van het onzakelijke, ondeskundige, irritante en intimiderende
gedrag van de heer Louk Oostvogels (WOB ambtenaar) maak ik slechts
melding. Kennelijk kan dat allemaal zo maar, met haar beunhazen in dat
foute gedeelte bij de Belastingdienst/Ondernemingen Goes, wat een
Augiasstal blijkt te zijn. Je zal er maar (gedwongen) klant zijn, en er
niet wegkunnen.