www.belastingfraude.nl
"Fraude door bewindslieden en (top)ambtenaren
van de Belastingdienst. Zelfs Hare Majesteit belogen."

Gebruiksaanwijzing      (1) Menu                            (2) Samenvatting                (3) Waarborgt de overheid (4) Integriteit en fraude      (5) Hoofdlijnen conflict      (6) Einde Trading Advice    (7) Belastingdienst Goes      (8) Ministerie                     (9) Bewindslieden             (10) Koningin en Premier    (11) Zelfcontrole overheid  (12) Nationale Ombudsman (13) WOB en media             (14) Staatsterreur              (15) Tweede Kamer            (16)

10. Bewindslieden  (februari 2002)

Het Ministerie van Financiën, in de persoon van mevrouw Ellie Vrouwenvelder, weigerde, terwijl er haast was geboden, in november 1996, om Trading Advice snel uitsluitsel te geven over de fiscaal technische duiding van een deel van haar activiteiten. Daarom verzocht ik de vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer der Staten Generaal, om directe hulp, om op het Ministerie druk uit te oefenen, om Trading Advice snel een antwoord te geven. In mijn noodkreet liet ik de commissie o.a. weten, dat Trading Advice serieus in haar voortbestaan werd bedreigd door ernstige fouten van de Belastingdienst/Ondernemingen Goes en het Ministerie van Financiën.

Op 3 december vroeg de vaste commissie voor Financiën de staatssecretaris van Financiën opheldering n.a.v. mijn alarmkreet van 13 november 1996. De commissie vroeg de staatssecretaris of mijn verhaal klopte.

Op 17 december gaf staatssecretaris Willem Vermeend van Financiën zijn reactie aan de vaste kamercommissie voor Financiën op het "Verzoekschrift van Trading Advice te Zoutelande". Met zijn antwoord heeft de staatssecretaris de commissie misleid. Hij heeft de commissie niet de waarheid verteld. Om duidelijk te kunnen maken, waar de staatssecretaris de fout in ging, som ik eerst wat fundamentele gegevens op. Na problemen bij de Belastingdienst/Ondernemingen Goes besliste, op 15 oktober 1996, het hoofd van deze eenheid, toen nog de heer John van Grinsven, dat er voor Trading Advice sprake was van ondernemerschap voor de inkomstenbelasting. Hij was van mening, dat het vertrouwensbeginsel, dat betrekking heeft op vermelde mededelingen in het controlerapport van 2 november 1995, zonder uitstel gerespecteerd diende te worden. Deze beslissing was bindend voor iedereen binnen de Belastingdienst, en dus ook voor de staatssecretaris! Omdat het controlerapport duidelijk vermeldt, dat er sprake was van ondernemerschap voor de inkomstenbelasting en ondernemerschap voor de omzetbelasting, behoorde dit dispuut beëindigd te zijn. Volgens de staatssecretaris blijkbaar toch niet. Maar waar haalt de staatssecretaris van Financiën dan de motieven voor zijn gelijk vandaan, om een beslissing van het hoofd van een belastingeenheid te negeren, en diens standpunt zelfs tegen te spreken? De feiten tonen aan, dat de staatssecretaris zelfs geen gelijk kan hebben.

Lees voor de aard van de problemen ook de menukeuzes "8. Belastingdienst/Ondernemingen Goes" en "9. Ministerie van Financiën, de Belastingdienst". Onder deze menukeuzes staat uitvoerig te lezen, dat zelfs nadat zijn toenmalige chef, de heer Van Grinsven, het ondernemerschap voor de inkomstenbelasting expliciet en definitief bevestigd had, de, ronduit corrupte, ambtenaar Fred Tromp zijn verlies, zijn fouten, niet toe gaf. Met kennis achteraf construeer ik hier moeiteloos de volgende hypothese. Om toch nog zijn zin te krijgen, en te verhinderen, dat de beslissing van de heer Van Grinsven uitgevoerd zou worden, bedacht deze mijnheer Fred Tromp een, hoewel boosaardig en in conflict met de waarheid, vernuftig plannetje. Het was hem bekend, dat de heer Van Grinsven op zeer korte termijn weg zou gaan op de eenheid. Enkele weken later, in november 1996, had de heer Tromp vrij spel, om het nieuwe hoofd van de eenheid, de heer Henk Raspe, wat op de mouw te spelden. De praktijk toont aan, dat de heer Tromp de heer Raspe voor zijn karretje heeft weten te spannen, en dat hij hem op de mouw heeft weten te spelden, dat aan het ondernemerschap voor de omzetbelasting wel degelijk getwijfeld mocht worden. Mijn, door de Belastingdienst bedachte, "Fraude" stigma kwam daarbij goed van pas. Zoals eerder gemeld kon zijn twijfel evenwel geen enkele waarde meer hebben, omdat op 15 oktober 1996 definitief besloten was, de uitkomst van het controlerapport van 2 november 1995 te volgen. Uit een aantekening in een document, dat ik op 13 juni 2001 in het dossier Trading Advice bij de Belastingdienst/Ondernemingen Goes ontdekte, bleek de heer Van Grinsven het ondernemerschap voor de inkomstenbelasting, op 27 januari 1997, in relatie met het vertrouwensbeginsel, nogmaals telefonisch aan de eenheid bevestigd te hebben. De heer Van Grinsven werkte toen niet meer op de eenheid Goes.

De staatssecretaris vermeldt, dat hij per brief van 22 oktober 1996, dat is het ambtsbericht van de heer Tromp, door de Belastingdienst op de hoogte is gebracht van de situatie m.b.t. Trading Advice, en hij verwees voor zijn, inhoudelijk, verweer naar zijn brief van 27 november 1996. Dat is de brief, die door de heer Guus Van Norden geschreven was, en die ik bij menukeuze "9. Ministerie van Financiën, de Belastingdienst" van een eerste commentaar voorzag. Het commentaar zet ik hier voort.

Mijn aanname, dat de heer Tromp in zijn ambtsbericht van 22 oktober 1996, volstrekt ten onrechte, niets over de bevestiging van het ondernemerschap voor de inkomstenbelasting door het hoofd van de eenheid heeft gezegd, wordt ook onderbouwd door twee cruciale opmerkingen van de staatssecretaris. De eerste rechtvaardiging voor mijn aanname komt uit een opmerking die vermeld staat in zijn brief van 27 november 1996. De heer Van Norden, die het antwoord voor de staatssecretaris had geschreven, noemt als reden voor zijn twijfel aan het ondernemerschap namelijk een toetsing, die behoort bij het toetsen van het ondernemerschap voor de inkomstenbelasting! En deze toetsing was zonder twijfel gepasseerd, en had dus ook niet meer vermeld mogen worden. Het ondernemerschap voor de inkomstenbelasting was ook door de heer Tromp op 15 oktober 1996 aanvaard, en hij heeft dat ook nog eens expliciet in zijn brief van 10 februari 1997 medegedeeld.

De tweede rechtvaardiging voor mijn aanname komt uit een opmerking van de staatssecretaris die in zijn brief van 8 juni 1998 vermeld staat. Ook deze brief is geschreven door de heer Van Norden. De staatssecretaris vermeldt, dat er bij zijn onderzoek naar de feiten en omstandigheden geen belemmeringen in de sfeer van het vertrouwensbeginsel waren. En dat is, door de nadrukkelijke beslissing van het hoofd van de Belastingdienst/Ondernemingen Goes op 15 oktober, duidelijk bezijden de waarheid, zelfs volstrekt onmogelijk. Het vertrouwensbeginsel prevaleert wel degelijk.

Per brief van 1 april 1998 wende ik mij tot de staatssecretaris persoonlijk, en stelde ik hem in kennis van het bedrog van de heer Tromp van de Belastingdienst/Ondernemingen Goes. Ik deelde de staatssecretaris letterlijk het volgende mede; "(....). Deze persoon is er door list of leugen in geslaagd een misleidend beeld te scheppen, en doet u in dwaling verkeren (....)". In mijn brief wordt verduidelijkt, op welk punt en wanneer de staatssecretaris is misleid. Op deze waarschuwing heeft de staatssecretaris in het geheel niet gereageerd. Ik ben van mening, dat de staatssecretaris de plicht had om mijn waarschuwing serieus te nemen.

Op 19 mei 1998 en op 1 oktober 1998 heeft de staatssecretaris De Nationale Ombudsman misleid. Zie voor de uitleg hierover menukeuze "9. Ministerie van Financiën, de Belastingdienst" en menukeuze "13. De Nationale Ombudsman". Op 8 juni 1998 deelde de staatssecretaris (het was de heer Guus van Norden die de brief voor hem schreef) mede, dat de eerdere foute keuze voor "bemiddeling" was gecorrigeerd in de juiste keuze "vermogensbeheer". Helaas stond in de brief ook, dat het vertrouwensbeginsel niet was geschonden, en dat er geen sprake was van ondernemerschap.

Toen ik mij op 16 mei 2000 in verbinding zette met het Ministerie van Financiën had daar net een wisseling van de wacht plaatsgevonden. De nieuwe Directeur-Generaal (1 mei 2000) was mevrouw Thunnissen geworden, en de nieuwe staatssecretaris (24 maart 2000), na het plotselinge vertrek van Willem Vermeend door de affaire Bram Peper, heette Wouter Bos. Op 15 augustus ontving de nieuwe staatssecretaris mijn rapport "meneer Bos, uw D-G stuntelt". In dit rapport verzocht ik de staatssecretaris onder meer een serieus onderzoek in te stellen naar gedragingen van zijn ambtenaren. Over de bedrieglijke rol van de Directeur-Generaal van de Belastingdienst, en het feit dat de heer Bos in het geheel niet opgewassen was tegen zijn topambtenaren, schreef ik bij menukeuze "9. Ministerie van Financiën, de Belastingdienst".

Omdat de staatssecretaris ten onrechte het vertrouwensbeginsel had genegeerd, en hij het bedrog van ambtenaar Tromp van de Belastingdienst/Ondernemingen Goes niet had doorzien, probeerde ik de staatssecretaris ook nog op een andere wijze van zijn foute standpunt, dat er geen sprake was van ondernemerschap, te overtuigen. Daartoe dien ik eerst een, door de Overheid gehanteerde, onduidelijkheid op te helderen. Terwijl de staatssecretaris spreekt over het ondernemerschap, bedoelde de heer Tromp van de Belastingdienst/Ondernemingen Goes het ondernemerschap voor de omzetbelasting. In zijn brief van 10 februari 1997 benadrukte de heer Tromp nog eens, dat er wel sprake was van ondernemerschap voor de inkomstenbelasting, maar dat er geen sprake was van ondernemerschap voor de omzetbelasting, hetgeen volstrekt onmogelijk is! Het ongelijk voor de argumentatie van de heer Tromp, om het ondernemerschap voor de omzetbelasting te ontkennen, heb ik duidelijk aangetoond (zie menukeuze "8. Belastingdienst/Ondernemingen Goes"). Het is volstrekt onvoorstelbaar en onbegrijpelijk, dat de staatssecretaris op basis van wat hij destijds wist, kon weten en moest weten, op zijn standpunt bleef staan, dat er voor Trading Advice geen sprake was van ondernemerschap.

"de Zesde Richtlijn genegeerd"

Het rapport dat ik de staatssecretaris deed toekomen, en waarmee ik op een andere wijze aantoon, dat de staatssecretaris geen gelijk kan hebben met zijn standpunt, heet "de Zesde Richtlijn genegeerd" (17-11-2000). Met dit rapport wijs ik de staatssecretaris op de Europese bepaling "de Zesde Richtlijn", en op lectuur over dit onderdeel van professor Reugebrink, de autoriteit van de omzetbelastingwetgeving in Nederland. Ik heb professor Reugebrink gevraagd mij actief te ondersteunen in mijn verweer tegen de staatssecretaris. Toen de heer Reugebrink, bij bestudering van mijn casus, ontdekte, dat ik een klacht had ingediend tegen mevrouw Thunnissen, en dat mijn gelijk in het nadeel van de Directeur-Generaal Thunnissen was, wenste hij zich van actieve medewerking te onthouden. Omdat, zo vertelde hij mij, hij bevriend is met mevrouw Thunnissen, en omdat hij haar heeft geholpen om de heer Van Lunteren (dat was de vorige Directeur-Generaal van de Belastingdienst) op te volgen. Dat de professor in zijn belangenconflict koos voor de bescherming van zijn fiscaal petekind, in plaats van het inbrengen van zijn uitzonderlijk grote vakkennis bij een conflict over een onjuiste wetstoepassing door de Overheid, kan ik maar ten dele begrijpen. Hij mocht toch niet stilzwijgend toekijken en accepteren, dat de wet (zijn wet) in het kader van een foute doelredenatie werd overtreden. Omdat het toch gebeurde, kan ik de professor enige woorden van teleurstelling niet besparen. Later deelde een ander fiscaal petekind van hem, de plaatsvervangend Directeur-Generaal Van Blijswijk, mij mede, dat professor Reugebrink hem bij het schrijven van zijn scriptie begeleid had. De ongetwijfeld goede bedoelingen en inspanningen van de professor hebben kennelijke onvoldoende effect gehad, en hebben slechte leerlingen opgeleverd, of zelfs bedriegers. Want de lectuur van professor Reugebrink ondersteunt mijn gelijk, zij het passief, echter volledig.

De genoemde "Zesde Richtlijn" houdt, op het betroffen deelgebied en samengevat, in, dat wanneer aan de (zwaardere) toets van het ondernemerschap voor de inkomstenbelasting is voldaan, dat dan automatisch ook is voldaan aan de (lichtere) toets van het ondernemerschap voor de omzetbelasting. Wanneer voldaan is aan het meerdere, dan is tevens voldaan aan het mindere.

Nadat het laatste, valse, trucje van de heer Fred Tromp (Trading Advice zou de voor het ondernemerschap voor de omzetbelasting noodzakelijke vergoedingen niet hebben ontvangen) door zijn collega Jan Boer in Goes (in tweede termijn, en feitelijk overbodig) onbetwistbaar was weerlegd, de vergoedingen waren wel aanwezig, (zie menukeuze "8. Belastingdienst/Ondernemingen Goes"), diende de staatssecretaris zijn verzet tegen het ondernemerschap op te geven. Kennelijke angst voor gezichtsverlies, eigenbelang, triomfalisme, machtsmisbruik, maar mogelijk ook de angst voor een zeer zware schadeclaim weerhield de elite van de Belastingdienst ervan de staatssecretaris alsnog zijn ongelijk te laten bekennen. En met deze verstarring zouden de gevolgen, alleen maar, nog erger worden.

Op 19 december 2000 stuurde ik een brief aan de staatssecretaris persoonlijk, en eiste ik van hem, dat hij mij onmiddellijk op moest bellen, om te zeggen, dat hij "de Zesde Richtlijn" zou toepassen, en dat Zal onze fraude ontdekt worden?hij het ondernemerschap zou erkennen. De staatssecretaris reageerde niet. Wel werd ik, in plaats van door de staatssecretaris, door de heer Van Blijswijk gebeld met o.a. zijn mededeling, dat hij zich door mij geschoffeerd voelde, omdat ik eerder op 24 november 2000 mijn vertrouwen in hem had opgezegd. Reeds op 22 december 2000 ontving ik van de plaatsvervangend Directeur-Generaal Van Blijswijk een brief, die kennelijk voor het antwoord van de staatssecretaris door moest gaan (het was geen brief van de staatssecretaris en hij was ook niet, ook niet per mandaat, door de staatssecretaris ondertekend), met de conclusie van de heer Van Blijswijk, dat de Belastingdienst/Ondernemingen Goes en het Ministerie van Financiën niets fout hadden gedaan in het conflict Trading Advice versus de Overheid. Ik gaf evenwel niks om de mening van de heer Van Blijswijk, die toch al niet met de feiten overeenstemde. Ik wilde de mening van de staatssecretaris. Met hem had ik op 13 september 2000 op het Ministerie van Financiën een afspraak gemaakt. Het is toch ook niet logisch, dat een lagere ambtenaar, de heer Van Blijswijk, een vonnis moet vellen over een hogere ambtenaar, mevrouw Thunnissen, die hij bovendien later misschien op zal volgen. Bovendien diende iedere schijn van belangenverstrengeling vermeden te worden. Dit was duidelijk een opdracht voor de staatssecretaris zelf. Maar die werd kennelijk zorgvuldig door de topambtenaren voor mij, en voor de waarheid afgeschermd. Wie zou mij nu nog verder kunnen helpen, om het onrecht en bedrog te bestrijden?

Op 3 januari 2001 gaf ik een zeer krachtig signaal af aan Hare Majesteit, staatssecretaris Bos, minister Zalm, Minister-President Kok, de Rijksrecherche en de vaste kamercommissie voor Financiën. Ik verhaalde o.a. de gepleegde fraude door meerdere overheidsdienaren waaronder de staatssecretaris. Ik verzocht zelfs de heren Zalm en Kok te verhinderen, dat staatssecretaris Bos actief fraude zou plegen, door hij het standpunt van zijn topambtenaren over te nemen, waarna hij dan zelf zou gaan beweren, dat er in het conflict Trading Advice versus de Overheid door de Overheid geen fouten zijn gemaakt, zoals eerder plaatsvervangend Directeur-Generaal Van Blijswijk beweerde. Hare Majesteit verzocht staatssecretaris Bos mijn brief aan haar voor haar te beantwoorden. Ook de Minister-President verzocht de staatssecretaris mijn brief aan hem voor hem te beantwoorden.

Op 14 maart 2001 verzocht ik de voorzitter van het college van procureurs-generaal, de heer De Wijkerslooth de Weerdesteijn, een strafrechterlijk onderzoek in te stellen naar de, door diverse overheidsambtenaren en de staatssecretaris van Financiën, gepleegde fraude en integriteitschendingen (zie menukeuze "12. De zelfcontrole van de Overheid").

Wat ik heb trachten te verhinderingen is helaas toch gebeurd. Op verzoek van Hare Majesteit en de Minister-President beantwoordde de staatssecretaris mijn brief van 3 januari 2001. Per brief van 20 april 2001 deelde de staatssecretaris van Financiën, mede Computer weigert fraude!namens de minister van Financiën, mede, dat samengevat, de Overheid niets fout heeft gedaan in het conflict Trading Advice versus de Overheid. Met deze bewuste keuze van zowel de staatssecretaris als de minister van Financiën staat vast, dat beide bewindslieden zich schuldig hebben gemaakt aan het plegen van fraude. Zij hebben met deze mededeling niet alleen Hare Majesteit en de Minister-President misleid, maar ook de burger. Het is evenzeer onaanvaardbaar, dat deze bewindslieden tevens trachtten een fraudezaak onder de goede naam en status van Hare Majesteit verborgen te houden. Van deze zeer droeve gang van zaken heb ik Hare Majesteit en de Minister-President, per brief van 2 mei 2001, op de hoogte gesteld. Voor Minister Zalm is het zuur, dat hij op het laatste moment, door zijn adviseurs, ook nog in de fraudepoel gezogen werd. Naar aanleiding van mijn verzoek aan hem (brief van 3-1-2001), om helpen te verhinderen, dat staatssecretaris Bos actief fraude zou plegen, vroeg hij, op het Ministerie van Financiën, onmiddellijk om een schriftelijk en eventueel mondelinge samenvatting van de zakelijke kern van het conflict. Opmerkelijk is een, interne, aan hem gerichte waarschuwing "Gerrit uiteraard, maar weet waar je aan begint!" Het is mij niet bekend van wie, en waarom de heer Zalm deze waarschuwing heeft gekregen. De pech van de heer Zalm ligt in het feit, dat ook hij, schriftelijk op 22 januari 2001 (voor de weigering van dit document zie menukeuze "14. Wet Openbaarheid Bestuur (WOB) en de media" en "10. Bewindslieden"), onjuist door de plaatsvervangend Directeur-Generaal, de heer Van Blijswijk over het conflict Trading Advice/Broersma versus de Overheid werd geïnformeerd. De heer Van Blijswijk kon de minister toch kwalijk een ander verhaaltje vertellen dan hij aan de staatssecretaris had verteld, en dus kreeg de minister dezelfde foute voorlichting als de staatssecretaris. Van een mondeling verslag is mij niets bekend. Ik kan niet begrijpen, dat de beide bewindslieden, na mijn melding van fraude tegen de elite van de Belastingdienst en andere belangrijke ambtenaren, niet zorgvuldiger waren, en in plaats van blind te varen op hun, door mij van fraude beschuldigde adviseurs, bijvoorbeeld voor een "second opinion" gezorgd hebben.

Een paar dagen later op 11 mei 2001 deed ik bij de staatssecretaris een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Met een verwijzing naar een daad van staatssecretaris Koning in de "affaire Wibo van der Linde", waarin deze staatssecretaris een beslissing voor een Belastingdiensteenheid nam, wilde ik een dergelijke daad van staatssecretaris Bos. Ik verlangde van hem, dat hij de beslissing voor de Belastingdienst/Ondernemingen Goes zou nemen, dat het ondernemerschap voor de omzetbelasting bevestigd bleef, conform de conclusie uit het controlerapport van 2 november 1995. Op 11 mei 2001 antwoordde de heer Van Blijswijk (weer hij). Op nieuw vermelde hij, dat de staatssecretaris hem verzocht had mijn brief voor hem te beantwoorden. Maar ik heb met de heer Van Blijswijk op dat punt niets te maken. Ik wilde een antwoord van de staatssecretaris. Waarom heb ik geen antwoord gekregen van de staatssecretaris? Of waarom schreef de heer Van Blijswijk niet; "de staatssecretaris, namens deze, de plaatsvervangend Directeur-Generaal"? Waarom gebruikte hij zijn mandaat niet? Wordt de staatssecretaris er bewust buiten gehouden? Wat speelt hier allemaal?

De staatssecretaris heeft mij mijn recht op bescherming door de wet onthouden, en hij blijft mij die onthouden. Hij heeft de wet niet toegepast, hij heeft de wet niet goed toegepast en hij maakt misbruik van procedures. Frauderende bewindslieden, dat raakt iedere burger. Hoe heeft staatssecretaris Bos, met twee vingers in de lucht, aan Hare Majesteit en de Minister-President nu kunnen meedelen, dat de Overheid in het conflict Trading Advice/Broersma versus de Overheid niets fout heeft gedaan?

De voormalig staatssecretaris van Financiën, Willem Vermeend, de huidige staatssecretaris Wouter Bos, en de minister van Financiën Gerrit Zalm zijn, na mij en de burger, alle drie zeer ernstig bedrogen door, en slachtoffer geworden van hun ambtenaren. Het ambtenarenapparaat tracht wel serieus over te komen, maar zij is het niet. In het conflict Trading Advice/Broersma versus de Overheid is gebleken, dat oordelen en standpunten van het ambtenarencorps voornamelijk bepaald werden door persoonlijke opvattingen en vooroordelen. Ik ben zeer benieuwd naar de mening hierover van de grootste publieke controleur, de Tweede Kamer der Staten Generaal.

Zal Wouter zinken?

 

Oprichtingsdatum: 12.11.01
Laatst bijgewerkt: 04.02.03