10. Bewindslieden
(februari 2002)
Het Ministerie van
Financiën, in de persoon van mevrouw Ellie Vrouwenvelder, weigerde,
terwijl er haast was geboden, in november 1996, om Trading Advice snel
uitsluitsel te geven over de fiscaal technische duiding van een deel van
haar activiteiten. Daarom verzocht ik de vaste commissie voor Financiën
van de Tweede Kamer der Staten Generaal, om directe hulp, om op het
Ministerie druk uit te oefenen, om Trading Advice snel een antwoord te
geven. In mijn noodkreet liet ik de commissie o.a. weten, dat Trading
Advice serieus in haar voortbestaan werd bedreigd door ernstige fouten
van de Belastingdienst/Ondernemingen Goes en het Ministerie van
Financiën.
Op 3 december vroeg de vaste
commissie voor Financiën de staatssecretaris van Financiën opheldering
n.a.v. mijn alarmkreet van 13 november 1996. De commissie vroeg de
staatssecretaris of mijn verhaal klopte.
Op 17 december gaf
staatssecretaris Willem Vermeend van Financiën zijn reactie aan de
vaste kamercommissie voor Financiën op het "Verzoekschrift
van Trading Advice te Zoutelande". Met zijn antwoord heeft
de staatssecretaris de commissie misleid. Hij heeft de commissie niet de
waarheid verteld. Om duidelijk te kunnen maken, waar de staatssecretaris
de fout in ging, som ik eerst wat fundamentele gegevens op. Na problemen
bij de Belastingdienst/Ondernemingen Goes besliste, op 15 oktober 1996,
het hoofd van deze eenheid, toen nog de heer John van Grinsven, dat er
voor Trading Advice sprake was van ondernemerschap voor de
inkomstenbelasting. Hij was van mening, dat het vertrouwensbeginsel, dat
betrekking heeft op vermelde mededelingen in het controlerapport van 2
november 1995, zonder uitstel gerespecteerd diende te worden. Deze
beslissing was bindend voor iedereen binnen de Belastingdienst, en dus
ook voor de staatssecretaris! Omdat het controlerapport duidelijk
vermeldt, dat er sprake was van ondernemerschap voor de
inkomstenbelasting en ondernemerschap voor de omzetbelasting, behoorde
dit dispuut beëindigd te zijn. Volgens de staatssecretaris blijkbaar
toch niet. Maar waar haalt de staatssecretaris van Financiën dan de
motieven voor zijn gelijk vandaan, om een beslissing van het hoofd van
een belastingeenheid te negeren, en diens standpunt zelfs tegen te
spreken? De feiten tonen aan, dat de staatssecretaris zelfs geen gelijk
kan hebben.
Lees voor de aard van de
problemen ook de menukeuzes "8.
Belastingdienst/Ondernemingen Goes" en "9.
Ministerie van Financiën, de Belastingdienst". Onder deze
menukeuzes staat uitvoerig te lezen, dat zelfs nadat zijn toenmalige
chef, de heer Van Grinsven, het ondernemerschap voor de
inkomstenbelasting expliciet en definitief bevestigd had, de, ronduit
corrupte, ambtenaar Fred Tromp zijn verlies, zijn fouten, niet toe gaf.
Met kennis achteraf construeer ik hier moeiteloos de volgende hypothese.
Om toch nog zijn zin te krijgen, en te verhinderen, dat de beslissing
van de heer Van Grinsven uitgevoerd zou worden, bedacht deze mijnheer
Fred Tromp een, hoewel boosaardig en in conflict met de waarheid,
vernuftig plannetje. Het was hem bekend, dat de heer Van Grinsven op
zeer korte termijn weg zou gaan op de eenheid. Enkele weken later, in
november 1996, had de heer Tromp vrij spel, om het nieuwe hoofd van de
eenheid, de heer Henk Raspe, wat op de mouw te spelden. De praktijk
toont aan, dat de heer Tromp de heer Raspe voor zijn karretje heeft
weten te spannen, en dat hij hem op de mouw heeft weten te spelden, dat
aan het ondernemerschap voor de omzetbelasting wel degelijk getwijfeld
mocht worden. Mijn, door de Belastingdienst bedachte, "Fraude"
stigma kwam daarbij goed van pas. Zoals eerder gemeld kon zijn twijfel
evenwel geen enkele waarde meer hebben, omdat op 15 oktober 1996
definitief besloten was, de uitkomst van het controlerapport van 2
november 1995 te volgen. Uit een aantekening in een document, dat ik op
13 juni 2001 in het dossier Trading Advice bij de
Belastingdienst/Ondernemingen Goes ontdekte, bleek de heer Van Grinsven
het ondernemerschap voor de inkomstenbelasting, op 27 januari 1997, in
relatie met het vertrouwensbeginsel, nogmaals telefonisch aan de eenheid
bevestigd te hebben. De heer Van Grinsven werkte toen niet meer op de
eenheid Goes.
De staatssecretaris
vermeldt, dat hij per brief van 22 oktober 1996, dat is het ambtsbericht
van de heer Tromp, door de Belastingdienst op de hoogte is gebracht van
de situatie m.b.t. Trading Advice, en hij verwees voor zijn,
inhoudelijk, verweer naar zijn brief van 27 november 1996. Dat is de
brief, die door de heer Guus Van Norden geschreven was, en die ik bij
menukeuze "9. Ministerie van Financiën, de
Belastingdienst" van een eerste commentaar voorzag. Het
commentaar zet ik hier voort.
Mijn aanname, dat de heer
Tromp in zijn ambtsbericht van 22 oktober 1996, volstrekt ten onrechte,
niets over de bevestiging van het ondernemerschap voor de
inkomstenbelasting door het hoofd van de eenheid heeft gezegd, wordt ook
onderbouwd door twee cruciale opmerkingen van de staatssecretaris. De
eerste rechtvaardiging voor mijn aanname komt uit een opmerking die
vermeld staat in zijn brief van 27 november 1996. De heer Van Norden,
die het antwoord voor de staatssecretaris had geschreven, noemt als
reden voor zijn twijfel aan het ondernemerschap namelijk een toetsing,
die behoort bij het toetsen van het ondernemerschap voor de
inkomstenbelasting! En deze toetsing was zonder twijfel gepasseerd, en
had dus ook niet meer vermeld mogen worden. Het ondernemerschap voor de
inkomstenbelasting was ook door de heer Tromp op 15 oktober 1996
aanvaard, en hij heeft dat ook nog eens expliciet in zijn brief van 10
februari 1997 medegedeeld.
De tweede rechtvaardiging
voor mijn aanname komt uit een opmerking van de staatssecretaris die in
zijn brief van 8 juni 1998 vermeld staat. Ook deze brief is geschreven
door de heer Van Norden. De staatssecretaris vermeldt, dat er bij zijn
onderzoek naar de feiten en omstandigheden geen belemmeringen in de
sfeer van het vertrouwensbeginsel waren. En dat is, door de
nadrukkelijke beslissing van het hoofd van de
Belastingdienst/Ondernemingen Goes op 15 oktober, duidelijk bezijden de
waarheid, zelfs volstrekt onmogelijk. Het vertrouwensbeginsel prevaleert
wel degelijk.
Per brief van 1 april 1998
wende ik mij tot de staatssecretaris persoonlijk, en stelde ik hem in
kennis van het bedrog van de heer Tromp van de
Belastingdienst/Ondernemingen Goes. Ik deelde de staatssecretaris
letterlijk het volgende mede; "(....). Deze
persoon is er door list of leugen in geslaagd een misleidend beeld te
scheppen, en doet u in dwaling verkeren (....)". In mijn
brief wordt verduidelijkt, op welk punt en wanneer de staatssecretaris
is misleid. Op deze waarschuwing heeft de staatssecretaris in het geheel
niet gereageerd. Ik ben van mening, dat de staatssecretaris de plicht
had om mijn waarschuwing serieus te nemen.
Op 19 mei 1998 en op 1
oktober 1998 heeft de staatssecretaris De Nationale Ombudsman misleid.
Zie voor de uitleg hierover menukeuze "9.
Ministerie van Financiën, de Belastingdienst" en menukeuze
"13. De Nationale Ombudsman". Op
8 juni 1998 deelde de staatssecretaris (het was de heer Guus van Norden
die de brief voor hem schreef) mede, dat de eerdere foute keuze voor
"bemiddeling" was gecorrigeerd in
de juiste keuze "vermogensbeheer".
Helaas stond in de brief ook, dat het vertrouwensbeginsel niet was
geschonden, en dat er geen sprake was van ondernemerschap.
Toen ik mij op 16 mei 2000
in verbinding zette met het Ministerie van Financiën had daar net een
wisseling van de wacht plaatsgevonden. De nieuwe Directeur-Generaal (1
mei 2000) was mevrouw Thunnissen geworden, en de nieuwe staatssecretaris
(24 maart 2000), na het plotselinge vertrek van Willem Vermeend door de
affaire Bram Peper, heette Wouter Bos. Op 15 augustus ontving de nieuwe
staatssecretaris mijn rapport "meneer Bos, uw
D-G stuntelt". In dit rapport verzocht ik de
staatssecretaris onder meer een serieus onderzoek in te stellen naar
gedragingen van zijn ambtenaren. Over de bedrieglijke rol van de Directeur-Generaal
van de Belastingdienst, en het feit dat de heer Bos
in het geheel niet opgewassen was tegen zijn topambtenaren, schreef ik
bij menukeuze "9. Ministerie van Financiën,
de Belastingdienst".
Omdat de staatssecretaris
ten onrechte het vertrouwensbeginsel had genegeerd, en hij het bedrog
van ambtenaar Tromp van de Belastingdienst/Ondernemingen Goes niet had
doorzien, probeerde ik de staatssecretaris ook nog op een andere wijze
van zijn foute standpunt, dat er geen sprake was van ondernemerschap, te
overtuigen. Daartoe dien ik eerst een, door de Overheid gehanteerde,
onduidelijkheid op te helderen. Terwijl de staatssecretaris spreekt over
het ondernemerschap, bedoelde de heer Tromp van de
Belastingdienst/Ondernemingen Goes het ondernemerschap voor de
omzetbelasting. In zijn brief van 10 februari 1997 benadrukte de heer
Tromp nog eens, dat er wel sprake was van ondernemerschap voor de
inkomstenbelasting, maar dat er geen sprake was van ondernemerschap voor
de omzetbelasting, hetgeen volstrekt onmogelijk is! Het ongelijk voor de
argumentatie van de heer Tromp, om het ondernemerschap voor de
omzetbelasting te ontkennen, heb ik duidelijk aangetoond (zie menukeuze
"8. Belastingdienst/Ondernemingen Goes").
Het is volstrekt onvoorstelbaar en onbegrijpelijk, dat de
staatssecretaris op basis van wat hij destijds wist, kon weten en moest
weten, op zijn standpunt bleef staan, dat er voor Trading Advice geen
sprake was van ondernemerschap.
"de
Zesde Richtlijn genegeerd"
Het rapport dat ik de
staatssecretaris deed toekomen, en waarmee ik op een andere wijze
aantoon, dat de staatssecretaris geen gelijk kan hebben met zijn
standpunt, heet "de Zesde Richtlijn genegeerd"
(17-11-2000). Met dit rapport wijs ik de staatssecretaris op de Europese
bepaling "de Zesde Richtlijn", en op lectuur over dit
onderdeel van professor Reugebrink, de autoriteit van de
omzetbelastingwetgeving in Nederland. Ik heb professor Reugebrink
gevraagd mij actief te ondersteunen in mijn verweer tegen de
staatssecretaris. Toen de heer Reugebrink, bij bestudering van mijn
casus, ontdekte, dat ik een klacht had ingediend tegen mevrouw
Thunnissen, en dat mijn gelijk in het nadeel van de Directeur-Generaal Thunnissen was, wenste hij zich van actieve medewerking te onthouden.
Omdat, zo vertelde hij mij, hij bevriend is met mevrouw Thunnissen, en
omdat hij haar heeft geholpen om de heer Van Lunteren (dat was de vorige
Directeur-Generaal van de Belastingdienst) op te volgen. Dat de
professor in zijn belangenconflict koos voor de bescherming van zijn
fiscaal petekind, in plaats van het inbrengen van zijn uitzonderlijk
grote vakkennis bij een conflict over een onjuiste wetstoepassing door
de Overheid, kan ik maar ten dele begrijpen. Hij mocht toch niet
stilzwijgend toekijken en accepteren, dat de wet (zijn wet) in het kader
van een foute doelredenatie werd overtreden. Omdat het toch gebeurde,
kan ik de professor enige woorden van teleurstelling niet besparen.
Later deelde een ander fiscaal petekind van hem, de plaatsvervangend Directeur-Generaal
Van Blijswijk, mij mede, dat professor Reugebrink hem
bij het schrijven van zijn scriptie begeleid had. De ongetwijfeld goede
bedoelingen en inspanningen van de professor hebben kennelijke
onvoldoende effect gehad, en hebben slechte leerlingen opgeleverd, of
zelfs bedriegers. Want de lectuur van professor Reugebrink ondersteunt
mijn gelijk, zij het passief, echter volledig.
De genoemde "Zesde
Richtlijn" houdt, op het betroffen deelgebied en samengevat,
in, dat wanneer aan de (zwaardere) toets van het ondernemerschap voor de
inkomstenbelasting is voldaan, dat dan automatisch ook is voldaan aan de
(lichtere) toets van het ondernemerschap voor de omzetbelasting. Wanneer
voldaan is aan het meerdere, dan is tevens voldaan aan het mindere.
Nadat het laatste, valse,
trucje van de heer Fred Tromp (Trading Advice zou de voor het
ondernemerschap voor de omzetbelasting noodzakelijke vergoedingen niet
hebben ontvangen) door zijn collega Jan Boer in Goes (in tweede termijn,
en feitelijk overbodig) onbetwistbaar was weerlegd, de vergoedingen
waren wel aanwezig, (zie menukeuze "8.
Belastingdienst/Ondernemingen Goes"), diende de
staatssecretaris zijn verzet tegen het ondernemerschap op te geven.
Kennelijke angst voor gezichtsverlies, eigenbelang, triomfalisme,
machtsmisbruik, maar mogelijk ook de angst voor een zeer zware
schadeclaim weerhield de elite van de Belastingdienst ervan de
staatssecretaris alsnog zijn ongelijk te laten bekennen. En met deze
verstarring zouden de gevolgen, alleen maar, nog erger worden.
Op 19 december 2000 stuurde
ik een brief aan de staatssecretaris persoonlijk, en eiste ik van hem,
dat hij mij onmiddellijk op moest bellen, om te zeggen, dat hij "de
Zesde Richtlijn" zou toepassen, en dat
hij
het ondernemerschap zou erkennen. De staatssecretaris reageerde niet.
Wel werd ik, in plaats van door de staatssecretaris, door de heer Van
Blijswijk gebeld met o.a. zijn mededeling, dat hij zich door mij
geschoffeerd voelde, omdat ik eerder op 24 november 2000 mijn vertrouwen
in hem had opgezegd. Reeds op 22 december 2000 ontving ik van de
plaatsvervangend Directeur-Generaal Van Blijswijk een brief, die
kennelijk voor het antwoord van de staatssecretaris door moest gaan (het
was geen brief van de staatssecretaris en hij was ook niet, ook niet per
mandaat, door de staatssecretaris ondertekend), met de conclusie van de
heer Van Blijswijk, dat de Belastingdienst/Ondernemingen Goes en het
Ministerie van Financiën niets fout hadden gedaan in het conflict
Trading Advice versus de Overheid. Ik gaf evenwel niks om de mening van
de heer Van Blijswijk, die toch al niet met de feiten overeenstemde. Ik
wilde de mening van de staatssecretaris. Met hem had ik op 13 september
2000 op het Ministerie van Financiën een afspraak gemaakt. Het is toch
ook niet logisch, dat een lagere ambtenaar, de heer Van Blijswijk, een
vonnis moet vellen over een hogere ambtenaar, mevrouw Thunnissen, die
hij bovendien later misschien op zal volgen. Bovendien diende iedere
schijn van belangenverstrengeling vermeden te worden. Dit was duidelijk
een opdracht voor de staatssecretaris zelf. Maar die werd kennelijk
zorgvuldig door de topambtenaren voor mij, en voor de waarheid
afgeschermd. Wie zou mij nu nog verder kunnen helpen, om het onrecht en
bedrog te bestrijden?
Op 3 januari 2001 gaf ik een
zeer krachtig signaal af aan Hare Majesteit, staatssecretaris Bos,
minister Zalm, Minister-President Kok, de Rijksrecherche en de vaste
kamercommissie voor Financiën. Ik verhaalde o.a. de gepleegde fraude
door meerdere overheidsdienaren waaronder de staatssecretaris. Ik
verzocht zelfs de heren Zalm en Kok te verhinderen, dat staatssecretaris
Bos actief fraude zou plegen, door hij het standpunt van zijn
topambtenaren over te nemen, waarna hij dan zelf zou gaan beweren, dat
er in het conflict Trading Advice versus de Overheid door de Overheid
geen fouten zijn gemaakt, zoals eerder plaatsvervangend Directeur-Generaal
Van Blijswijk beweerde. Hare Majesteit verzocht
staatssecretaris Bos mijn brief aan haar voor haar te beantwoorden. Ook
de Minister-President verzocht de staatssecretaris mijn brief aan hem
voor hem te beantwoorden.
Op 14 maart 2001 verzocht ik
de voorzitter van het college van procureurs-generaal, de heer De
Wijkerslooth de Weerdesteijn, een strafrechterlijk onderzoek in te
stellen naar de, door diverse overheidsambtenaren en de staatssecretaris
van Financiën, gepleegde fraude en integriteitschendingen (zie
menukeuze "12. De zelfcontrole van de
Overheid").
Wat ik heb trachten te
verhinderingen is helaas toch gebeurd. Op verzoek van Hare Majesteit en
de Minister-President beantwoordde de staatssecretaris mijn brief van 3
januari 2001. Per brief van 20 april 2001 deelde de staatssecretaris van
Financiën, mede
namens
de minister van Financiën, mede, dat samengevat, de Overheid niets fout
heeft gedaan in het conflict Trading Advice versus de Overheid. Met deze
bewuste keuze van zowel de staatssecretaris als de minister van
Financiën staat vast, dat beide bewindslieden zich schuldig hebben
gemaakt aan het plegen van fraude. Zij hebben met deze mededeling niet
alleen Hare Majesteit en de Minister-President misleid, maar ook de
burger. Het is evenzeer onaanvaardbaar, dat deze bewindslieden tevens
trachtten een fraudezaak onder de goede naam en status van Hare
Majesteit verborgen te houden. Van deze zeer droeve gang van zaken heb
ik Hare Majesteit en de Minister-President, per brief van 2 mei 2001, op
de hoogte gesteld. Voor Minister Zalm is het
zuur, dat hij op het laatste moment, door zijn adviseurs, ook nog in de
fraudepoel gezogen werd. Naar aanleiding van mijn verzoek aan hem (brief
van 3-1-2001), om helpen te verhinderen, dat staatssecretaris Bos actief
fraude zou plegen, vroeg hij, op het Ministerie van Financiën,
onmiddellijk om een schriftelijk en eventueel mondelinge samenvatting
van de zakelijke kern van het conflict. Opmerkelijk is een, interne, aan
hem gerichte waarschuwing "Gerrit uiteraard, maar weet waar je aan
begint!" Het is mij niet bekend van wie, en waarom de heer Zalm
deze waarschuwing heeft gekregen. De pech van de heer Zalm ligt in het
feit, dat ook hij, schriftelijk op 22 januari 2001 (voor de weigering
van dit document zie menukeuze "14. Wet
Openbaarheid Bestuur (WOB) en de media" en "10.
Bewindslieden"), onjuist door
de plaatsvervangend Directeur-Generaal, de heer Van Blijswijk over het
conflict Trading Advice/Broersma versus de Overheid werd geïnformeerd.
De heer Van Blijswijk kon de minister toch kwalijk een ander verhaaltje
vertellen dan hij aan de staatssecretaris had verteld, en dus kreeg de
minister dezelfde foute voorlichting als de staatssecretaris. Van een
mondeling verslag is mij niets bekend. Ik kan niet begrijpen, dat de
beide bewindslieden, na mijn melding van fraude tegen de elite van de
Belastingdienst en andere belangrijke ambtenaren, niet zorgvuldiger
waren, en in plaats van blind te varen op hun, door mij van fraude
beschuldigde adviseurs, bijvoorbeeld voor een "second
opinion" gezorgd hebben.
Een paar dagen later op 11
mei 2001 deed ik bij de staatssecretaris een beroep op het
gelijkheidsbeginsel. Met een verwijzing naar een daad van
staatssecretaris Koning in de "affaire Wibo
van der Linde", waarin deze staatssecretaris een beslissing
voor een Belastingdiensteenheid nam, wilde ik een dergelijke daad van
staatssecretaris Bos. Ik verlangde van hem, dat hij de beslissing voor
de Belastingdienst/Ondernemingen Goes zou nemen, dat het ondernemerschap
voor de omzetbelasting bevestigd bleef, conform de conclusie uit het
controlerapport van 2 november 1995. Op 11 mei 2001 antwoordde de heer
Van Blijswijk (weer hij). Op nieuw vermelde hij, dat de staatssecretaris
hem verzocht had mijn brief voor hem te beantwoorden. Maar ik heb met de
heer Van Blijswijk op dat punt niets te maken. Ik wilde een antwoord van
de staatssecretaris. Waarom heb ik geen antwoord gekregen van de
staatssecretaris? Of waarom schreef de heer Van Blijswijk niet; "de
staatssecretaris, namens deze, de plaatsvervangend Directeur-Generaal"?
Waarom gebruikte hij zijn mandaat niet? Wordt de staatssecretaris er
bewust buiten gehouden? Wat speelt hier allemaal?
De staatssecretaris heeft
mij mijn recht op bescherming door de wet onthouden, en hij blijft mij
die onthouden. Hij heeft de wet niet toegepast, hij heeft de wet niet
goed toegepast en hij maakt misbruik van procedures. Frauderende bewindslieden, dat raakt iedere burger. Hoe
heeft staatssecretaris Bos, met twee vingers in de lucht, aan Hare
Majesteit en de Minister-President nu kunnen meedelen, dat de Overheid
in het conflict Trading Advice/Broersma versus de Overheid niets fout
heeft gedaan?
De voormalig
staatssecretaris van Financiën, Willem Vermeend, de huidige
staatssecretaris Wouter Bos, en de minister van Financiën Gerrit Zalm
zijn, na mij en de burger, alle drie zeer ernstig bedrogen door, en
slachtoffer geworden van hun ambtenaren. Het ambtenarenapparaat tracht
wel serieus over te komen, maar zij is het niet. In het conflict Trading
Advice/Broersma versus de Overheid is gebleken, dat oordelen en
standpunten van het ambtenarencorps voornamelijk bepaald werden door
persoonlijke opvattingen en vooroordelen. Ik ben zeer benieuwd naar de
mening hierover van de grootste publieke controleur, de Tweede Kamer der
Staten Generaal.
