13. De
Nationale Ombudsman
(februari
2002)
De reden voor het inschakelen
van De Nationale Ombudsman werd ingegeven door het feit, dat de
Belastingdienst Ondernemingen Goes, en het Ministerie van Financiën,
nadat zij een aantal zeer ernstige en foute beslissingen genomen hadden,
geen gehoor, of ten minste geen serieuze aandacht wilden geven aan mijn
weloverwogen, en juiste argumenten van protest en klagen. Bovendien had de
Belastingdienst, door onzuiver handelen en manifeste onkunde, evident de
sfeer grondig verpest. Omdat ik ook nog eens door de affaire in ernstige
geestelijke problemen geraakt was, en ik aanvoelde, dat ik mijn belang
niet meer zelf kon behartigen, dat ik niet meer wist wat ik moest doen,
kwam ik op het idee de hulp van De Nationale Ombudsman in te roepen.
De Nationale Ombudsman laat
via haar folder "Klachten over de overheid?"
het volgende weten.
"Wanneer
de Overheid een klacht ontvangt over haar handelen, dan moet zij zich dat
aantrekken. Zij is er tenslotte voor u, de burger. En is uw klacht
daarover bij de overheid zelf afgewezen of niet beantwoord, dan kunt u
zich wenden tot de Nationale Ombudsman. De Nationale Ombudsman is benoemd
door de Tweede Kamer. Hij is geheel onafhankelijk."
Ik vond, dat mijn conflict
beantwoorde aan de situatie die in de folder geschetst wordt. Nadat ik
mijn bedrijf Trading Advice op 7 januari 1997 beëindigd had, heb ik mij
in februari 1997 bij De Nationale Ombudsman gemeld. Vooraleerst is het,
noodgedwongen door mijn onmacht, bij dit eerste contact gebleven.
Gedurende 1997
geraakte ik in een zeer zwarte en zware periode in mijn leven, waarin ik,
nadat ik mijn bedrijf in het begin van het jaar al had verloren, verder
nog, mijn omgeving, mijn huwelijk, mijn gezin, mijn woning, mijn aanzien,
mijn weg en plaats in de maatschappij compleet kwijtraakte. Ik was
volledig overspannen, en zwaar depressief met moord- en zelfmoordplannen.
Ik was geen normaal mens meer. Ik kon mij niet staande houden, en ik kon
mijn belang onmogelijk verdedigen. Ik acht het van zeer groot belang, om
mijn geestelijke gesteldheid van dat moment te benadrukken.
In december 1997 slaagde ik
erin opnieuw contact op te nemen met de Ombudsman. Hoewel ik nog zeer
onmachtig was, en er eerst zelfs niet in slaagde om te onthouden met wie
ik gesproken had, trad er toch een lichte verbetering op. De Ombudsman
verzocht mij, om mijn conflict op papier te zetten. Ik deelde hem in woord
en schrift mede, dat ik daartoe niet of nauwelijks in staat was. Ik ging
voor de tweede keer naar de Ombudsman toe, en vertelde daar mijn hele
verhaal aan onderzoeker, de heer Prins. Ook aan de heer Prins liet ik
nadrukkelijk weten, dat ik niet in staat was om het gehele conflict op
papier te zetten, en dat ik de Ombudsman slechts met onderbrekingen
schriftelijk kon informeren, en van bewijsstukken zou kunnen voorzien. Ik
vroeg aan de heer Prins of de Ombudsman mijn conflict wilde onderzoeken,
in behandeling wilde nemen, hetgeen werd toegezegd.
Daarna verzocht ik de Ombudsman, om mij te helpen bij het formuleren van
mijn klacht, omdat ik daarmee geen ervaring had, en ik niet wist waarover
ik zou mogen klagen. Ook hiermee werd ingestemd.
De praktijk pakte evenwel
geheel anders uit. De Ombudsman heeft m.b.t. het formuleren van de klacht,
met mij nooit gesproken, of enig overleg gepleegd. Zonder dat ik ook maar
enige invloed op de inhoud, of op de formulering van de klacht gehad kon
hebben, bereikte mij, per brief 8 april 1998, de klacht, zoals de
Ombudsman deze geformuleerd had. Namens de Ombudsman was het schrijven
ondertekend, door de heer Mense, met wie ik vervolgens ook communiceerde.
Samengevat luidde de klacht, dat ik "alleen"
zou klagen over het feit, dat er een periode van zeven maanden lag tussen
de controle in april 1995 en het controlerapport in november 1995. Wat er
werkelijk was fout gegaan, is uitvoerig vermeld bij de menukeuzes "8.
Belastingdienst/Ondernemingen Goes", "9.
Ministerie van Financiën, de Belastingdienst" en "10.
Bewindslieden". Hiervan is
niets in mijn klacht opgenomen.
Gelijktijdig was deze klacht
naar de Belastingdienst/Ondernemingen Goes, en naar het Ministerie van
Financiën gestuurd met een verzoek, of zij op deze klacht wilden
reageren. Hoe was het mogelijk! In woord en schrift (brief 13-4-1998) liet
ik de heer Mense weten dat dit tegen onze gemaakte
afspraak was, en dat ik scherp protesteerde tegen de inhoud van de
klacht, zoals de Ombudsman die had geformuleerd. Dit
was niet mijn klacht. Daarop liet de heer Mense mij weten, dat de
klacht altijd nog aangepast kon worden. Naar aanleiding van de gesprekken
die ik met de heer Mense gevoerd heb, ben ik ervan overtuigd geraakt, dat
de heer Mense nimmer de gedachte heeft gehad, de formulering van de klacht
te veranderen. Zijn opmerking leek mij, later, zonder meer ‘pro
forma’ te zijn gedaan. Waarom wist ik toen nog niet, dat De
Nationale Ombudsman het Cosmetisch Instituut van de Overheid is, en als
een soort gecontroleerde probleemafleider blijkt te fungeren? En
natuurlijk is hij niet onafhankelijk, zoals de folder vermeldt. Ik was
duidelijk in de val gelopen.
Met de heer Mense had ik
enkele heftige meningsverschillen. De heer Mense toonde zich zeer
geïrriteerd, en zelfs zwaar beledigd, toen ik hem er eens op wees, dat
hij, op het moment dat ik hem sprak, aantoonde, onvoldoende dossierkennis
te hebben. Nadat ik mijn reactie op de antwoorden van de Belastingdienst
en het Ministerie (brieven 6-5-1998 en 19-5-1998) gegeven had, bleef de
heer Mense zonder kritiek op deze antwoorden. Een onderzoek naar de
juistheid van die antwoorden van de Overheidsinstellingen heeft nooit
plaats gevonden. Hij nam blijkbaar voetstoots ‘voor waar aan’ wat de
instanties schreven. De Nationale Ombudsman bleek niet in staat te
ontdekken, of wilde dat niet, dat hij zowel door de
Belastingdienst/Ondernemingen Goes, als door het Ministerie van Financiën
onvoldoende ingelicht was, en zelfs was misleid. Lees voor de onderbouwing
van deze bewering de menukeuzes "8.
Belastingdienst/Ondernemingen Goes", "9.
Ministerie van Financiën, de Belastingdienst" en "10.
Bewindslieden".
De handelingen van de Ombudsman hadden niets met een serieus onderzoek te
maken. Ter illustratie, en als voorbeeld voor het ontbreken van een
kritische ondertoon, of een verkeerde benadering bij het onderzoek,
vermeld ik het volgende meningsverschil. De heer Mense vond dat de
Belastingdienst zonder meer gelijk had toen deze, bij woorden van de heer
Tromp (brief 10-2-1997) stelde, dat "in de
jurisprudentie is aanvaard dat een nader opkomend argument de
onderbouwing, de oorzaak mag zijn voor nader onderzoek". Over
deze jurisprudentie op zich, kon er tussen de Ombudsman, de
Belastingdienst en mij, geen enkel misverstand bestaan. Ik
vind deze rechtsopvatting juist zeer te billijken. Mijn probleem
lag niet in het gebruik van de rechtsopvatting "een
nader opkomend argument", maar wel in het argument zelf, dat
daarvoor gebruikt werd (aan het aspect van de omzet zou in het
controlerapport geen aandacht zijn besteed, welke opmerking niet op
waarheid berust). De heer Mense vond de redenatie van de Belastingdienst
blijkbaar juist. Hij heeft er in ieder geval geen enkel kritische
geluid over laten horen. Ik denk dat hij de situatie in wezen niet
begreep, of dat hij zo acteerde. In de brief van 10 februari 1997 van de Belastingdienst/Ondernemingen Goes (de heer Tromp) wordt bovendien
een fiscaal technische onmogelijkheid medegedeeld. Een ondernemerschap
voor de inkomstenbelasting zonder een ondernemerschap voor de
omzetbelasting. Dat hij deze fout, deze onwaarheid, van de Belastingdienst
niet ontdekte, vind ik catastrofaal voor een controleur als De Nationale
Ombudsman.
Veelzeggend vond ik zijn
opmerking; "Wat jammer meneer Broersma, dat u
zo veel tijd en energie gestopt hebt in uw verdediging". En
toen hij ook nog de faxberichten, die ik op 13 november 1996 aan de
Belastingdienst/Ondernemingen Goes, het Ministerie van Financiën, en de
Vaste Commissie der Tweede Kamer verzonden had, met mijn noodkreet, met
mijn verzoek om mij zo spoedig mogelijk te helpen, meewarig ter zijde legde, leek
zijn standpunt duidelijk. "Daar kan ik niks mee
beginnen", zei hij. De verschillende zienswijzen en zijn
compleet andere benadering van het conflict dan ik verwacht had, werden
kenmerkend in mijn communicatie met de heer Mense. Hij had duidelijk een
schaduw over mijn verweer geworpen. Ik was en bleef uiterst ontevreden
over zijn prestaties, en ik heb dit de heer Mense dan ook meermaals
verteld. En daar werd de stemming niet beter van. Er werd eigenlijk in het
geheel niet meer op mijn opmerkingen gereageerd. Het werd zelfs zo, dat ik
de heer Mense op een moment vroeg of "mijn zaak"
nog wel zijn aandacht had (brief 21-8-1998).
Nadat ik het Ministerie er toe
had weten te bewegen om haar, in 1996, gemaakte fout te herstellen, om de
activiteiten van Trading Advice in 1998 definitief te duiden als "vermogensbeheer",
ondernam ik ook, in 1998, een poging om de derde door de
Belastingdienst gemaakte fundamentele fout te weerleggen. Het betrof het
ten onrechte ontnemen van het ondernemerschap voor de omzetbelasting,
omdat Trading Advice niet tegen vergoeding gewerkt zou hebben. De heer Jan
Boer van de Belastingdienst/Ondernemingen Goes onderzocht op 14 en 15 juli
1998 de boeken, en hij constateerde vergoedingen, waarmee het argument van
de Belastingdienst wegviel. Terwijl ik hoopte dat de Belastingdienst haar
fout toe zou geven, kwam ik zeer bedrogen uit. De Belastingdienst begon
een volgende reeks onbehoorlijk gedrag. Zo had ik er bijvoorbeeld een
WOB-verzoek voor nodig om het openbaar gedeelte van het controlerapport,
van de controle van de heer Jan Boer, in mijn bezit te krijgen. Vervolgens
kreeg daarna mijn rapport "Wanneer Macht
corrumpeert" helaas geen reactie van de
Belastingdienst/Ondernemingen Goes. De heer Mense is bij de Ombudsman
vertrokken, nog voordat het eindrapport van de Nationale Ombudsman
(eigenlijk zijn rapport) verscheen. Het leek erop, of de Ombudsman met het
vertrek van de heer Mense een enorme haast gekregen had, en dat het
eindrapport er zo vlug mogelijk moest komen. "Het
verslag van bevindingen" is op 28 oktober 1998 gedateerd, en
op 13 november 1998 liet ik de opvolger van de heer Mense, mevrouw Van der
Vlist, mijn bezwaren tegen "het verslag van
bevindingen" weten. Hierop heeft zij niet meer gereageerd.
Natuurlijk niet, want, het is voor mij duidelijk, dat het draaiboek
dit niet meer toeliet. De afhandeling van het onderzoek (?) lag voor de
Ombudsman al lang vast. Op 19 november 1998 kwam reeds het eindrapport van
De Nationale Ombudsman uit! De ombudsman kwam tot de conclusie, dat de
klacht zoals hij die zelf bedacht had, ongegrond was. Wat een verrassing!
Met mevrouw van der Vlist had
ik enkele malen telefonisch contact. Eigenlijk deelde zij mij slechts
mede, dat de Ombudsman juist gehandeld had, en luisterde zij slechts voor
de vorm naar mij. Zij gaf geen antwoord meer op, o.a. mijn (schriftelijke)
vraag, of ik voor verdere misdragingen van de Belastingdienst een nieuwe
klacht bij de Ombudsman moest indienen. Ook reageerde zij niet op mijn
vraag, of de Ombudsman een beslissing zou kunnen nemen bij het causale
verband van het optreden van de Overheid, en het beëindigen van mijn
bedrijf Trading Advice. Zij wenste duidelijk zelfs niet meer naar mij te
luisteren. Het is opvallend, vreemd en een gemis, dat de Ombudsman
blijkbaar geen, maar zeker onvoldoende aandacht heeft besteed aan het
gedrag en de beslissingen van de Belastingdienst en het Ministerie in 1995
en 1996. Van de kant van de Ombudsman viel er over dit gedrag geen enkel
kritisch geluid te horen. Terwijl deze handelingen er wel de oorzaak van
waren, dat Trading Advice beëindigd moest worden. De
Belastingdienst/Ondernemingen Goes en het Ministerie van Financiën wisten
zich duidelijk gesterkt door het afwijzen van "mijn" klacht door
de Ombudsman. Zo lieten zij mij meermaals weten, dat ook De Nationale
Ombudsman geen fouten bij de Belastingdienst en het Ministerie
geconstateerd had!
De opmerking die de Ombudsman, in een begeleidend schrijven, met zijn
eindrapport meegaf, en waarin hij schreef, waarmee hij mogelijk bedoelde
te zeggen, dat ik voor onderdelen van het geschil gelijk naar de
belastingrechter had kunnen of moeten stappen, is, wanneer hij daarin al
gelijk zou kunnen hebben, in het licht van het geschil gezien, geen
juiste. Deze opvatting, dit verwijt doet mij denken aan een bokser die,
nadat hij zijn door zijn tegenstander tegen de regels in
"knock-out" geslagen werd en buiten kennis is, verweten wordt om
niet verder te vechten. Zie voor een nadere toelichting op dat punt de
menukeuze "8. Belastingdienst/Ondernemingen
Goes". Mondeling en schriftelijk heb ik de Ombudsman gevraagd,
om mij te informeren, waarover ik wel of niet zou mogen klagen. De
bewering van de Ombudsman, dat ik door de heer Mense meermaals
geïnformeerd zou zijn, is pertinent niet waar! Hij kan zijn bewering niet
staven. Nadat ik, als gevolg van door de Overheid veroorzaakte psychische
problemen (onmacht), een termijn om bezwaar in te dienen had laten
verlopen, verklaarde de Belastingdienst, dat zij alsnog de geschillen
ambtshalve zou afhandelen. Wie controleert er dan in zo een situatie de
Belastingdienst, en bij wie moet je klagen wanneer de Belastingdienst een
kwestie ambtshalve niet goed heeft afgehandeld, en vervolgens ook nog doof
blijft voor protest? Dan is er toch een rol voor De Nationale Ombudsman!
Een interessante vraag is ook,
of de foutieve manier van afhandelen van de Belastingdienst, in mijn
conflict, is ingegeven door eigen belang, in de wetenschap dat een
rechtsgang naar de belastingrechter was afgesloten, of dat er sprake was
van manifeste onkunde. Ik ben van mening dat de rol van De Nationale
Ombudsman een grotere had kunnen, en had moeten zijn. De opmerking van de
Ombudsman, de heer Oosting, toen hij via de televisie zei "dat
bij een onderzoek van De Nationale Ombudsman alle kasten en laden opengaan",
kreeg in het licht van zijn bemoeienis in mijn conflict een vreemde klank.
In mijn geschil viel van de zijde van de Ombudsman zelfs geen enkele
kritische noot over de Overheid te horen, terwijl ik, met mijn bedrijf
Trading Advice, door overheidsinstellingen was afgeslacht, was
geliquideerd met, nota bene, het gelijk aan mijn kant! De Nationale
Ombudsman is nooit voor onderzoek in Goes geweest, hij heeft nooit in het
dossier Trading Advice in Goes gekeken, zoals ik wel deed op 13 juni 2001.
Daarom ontdekte ik, wat De Nationale Ombudsman niet ontdekte, de
documenten die in het voordeel van Trading Advice, en in het nadeel van de
Belastingdienst spreken. Zoals de Ombudsman ook niet ontdekte, dat ik al
jaren lang, in het geniep, als "fraudeur"
was gestigmatiseerd.
Ik vind het zeer
verontrustend, en buitengewoon ergerlijk, dat ik volledig van mijn eigen
talent, en van mijn doorzettingsvermogen afhankelijk was, om het
onrechtmatig handelen van enkele Overheidsinstanties aan de kaak te
stellen, en gecorrigeerd te krijgen. Terwijl ik van de bemoeienis van De
Nationale Ombudsman slechts hinder en nadeel heb ondervonden.
Het eindrapport van De
Nationale Ombudsman is, in relatie tot de feitelijkheden, een paskwil. Het
toont tevens minachting voor mijn belang. Ik ben nooit serieus genomen.
Door het openbaar maken van het rapport via internet (nummer 98508) geeft
De Nationale Ombudsman niet juiste en misleidende informatie aan de
maatschappij. Derhalve valt de inspanning van de Ombudsman zelf, ook als
"fraude" aan te merken. Terwijl
ik dacht, dat de Tweede Kamer, die De Nationale Ombudsman heeft
aangesteld, deze Ombudsman ook zou controleren (zeker na een gemelde
klacht), bleek ik mij daarin sterk vergist te hebben (zie menukeuze "12.
De zelfcontrole van de overheid").