|
3. Een
samenvatting
(januari
2003)
Een
Haagse misdaad, hoe Wim Kok, Gerrit Zalm en Wouter Bos frauduleuze
handelingen van o.a. topambtenaren van de Belastingdienst in de doofpot
stopten, of misschien wel dienden te stoppen, en waarbij alle
controlemechanismen van het openbaar bestuur volledig faalden.
Bestuursrechtelijk
Het
conflict Trading Advice/Broersma versus de Overheid is geen sciencefiction
verhaal, maar een absolute keiharde werkelijkheid. In dit conflict blijkt
opnieuw, dat bestuurlijk Nederland op sommige momenten volkomen terecht de
status van een bananenrepubliek toe zou mogen komen, met praktijken zoals
we die alleen denken te kennen van totalitaire regimes. Het conflict is
een praktijk van list en bedrog van voornamelijk de allerhoogste
bestuurders, staatssecretarissen en ministers, inclusief de
Minister-president. Daarbij staat het onomstotelijk vast dat deze
bestuurders zich in dit conflict volledig gesteund weten door,
professioneel en integer geachte, bewakers van onze democratie, zoals de
Tweede Kamer der Staten Generaal, De Nationale Ombudsman, de Raad van
State en het Openbaar Ministerie. Deze instituten hebben zich, tot op
heden (januari 2003) niet alleen op geen enkel moment van hun taak
gekweten, zij pleegden zelfs list en/of bedrog om aan hun verplichtingen
te ontkomen. Het enig te bedenken doel van deze handelingen kan zijn, om
het schandaal van fraude en bedrog van de hoogste bestuurders in de
doofpot te houden.
Ga
ermee naar de pers riep iedereen. Ondanks verwoede pogingen heb ik evenwel
(nog) geen journalist kunnen vinden die het conflict Trading Advice/Broersma
versus de Overheid onder bredere aandacht wil brengen. Helaas hebben
meerdere vertegenwoordigers van deze beroepsgroep geweigerd het conflict
te onderzoeken en te onthullen. Daar waar zij de bewaking van het
democratisch proces middels onthullingen een flinke duw in de rug hadden
kunnen geven, lijken zij het corrigeren van fouten van het openbaar
bestuur kennelijk aan de onafhankelijke rechter over te willen laten.
De
bron van dit conflict ligt bij de staatssecretaris van Financiën, meer in
het bijzonder bij zijn corrupte (top)ambtenaren van de Belastingdienst.
Onder de (politieke) verantwoordelijkheid van de staatssecretaris maakten
invloedrijke ambtenaren van de Belastingdienst in de periode 1995 tot en
met 1997 dermate heftige fouten, dat ik daardoor in januari 1997 gedwongen
was mijn onderneming Trading Advice (beleggingsadviezen en
vermogensbeheer) te beëindigen De financiële schade die uit dit
gedwongen einde is ontstaan bedraagt voor mij en de staat (de burger, de
belastingbetaler) respectievelijk ten minste 50 miljoen euro en 20 miljoen
euro.
In
de latere fase van verantwoording voor zijn daden toonde de
staatssecretaris zich een slechte verliezer, die zijn gemaakte fouten niet
toe kan geven en zijn verantwoordelijkheid niet kan nemen. Ook in deze
fase van verantwoording van zijn gevoerd beleid schroomde de
staatssecretaris, ondanks heldere welonderbouwde waarschuwingen aan zijn
adres, niet om zijn gepleegde misdaden te ontkennen.
De
door de staatssecretaris gepleegde misdaden bestaan uit het meerdere malen
schenden van de voorschriften, uit het meerdere malen schenden van
regelgeving en bestendig beleid, en uit het meerdere malen verspreiden van
onjuiste informatie, dan wel uit het achterhouden van belangrijke
informatie, en het eveneens meerdere malen schenden van het
vertrouwensbeginsel. Het plegen van dergelijke misdaden heet onomstotelijk
fraude.
Na
een jarenlange strijd hebben uiteindelijk (oud)Minister-president Wim Kok,
(oud)minister van Financiën Gerrit
Zalm en (oud)staatssecretaris van Financiën Wouter Bos per brief van 20
april 2001 deze zeer ernstige fraudezaak in de doofpot gestopt. Helaas
hebben deze bewindslieden daarbij ook hun minachting voor de goede naam en
status van Hare Majesteit getoond, door onze majesteit te misleiden en in
haar naam ook nog misleidende informatie te verstrekken.
Bedekt
houden, in de doofpot stoppen
Er
dient in deze fraudezaak zeer veel bedekt te blijven. Naast de rol van de
bewindslieden valt voor volgers van het conflict de rol op van de De
Nationale Ombudsman, de Tweede Kamer der Staten Generaal, de Raad van
State, het Openbaar Ministerie.
Over
de Nationale Ombudsman Marten Oosting, valt te vermelden, dat hij zich in
1998 slechts korte tijd met het conflict bemoeid heeft. Met duidelijke
bewijzen te staven, valt de conclusie te trekken, dat deze ombudsman geen
wezenlijk onderzoek heeft gepleegd. Oosting heeft zich, ondanks mijn
waarschuwingen, moeiteloos of gewillig door de staatssecretaris met een
kluitje in het riet laten sturen. Hij heeft kritiekloos de zijde van de
staatssecretaris van Financiën gekozen, daarbij de schendingen van de
voorschriften en bestendig beleid door de staatssecretaris, die ook hij
waarnam of kon en moest waarnemen, voor lief nemend. Hij bracht daarnaast
in de publiciteit, dat (samengevat) de staatssecretaris in het conflict
Trading Advice/Broersma versus de Overheid geen fouten had gemaakt,
hetgeen in strijd is met de werkelijkheid. En dat terwijl De Nationale
Ombudsman alleen tot half 1998 belangstelling voor het conflict toonde,
waarna de overtredingen van het landsbestuur ook nog eens in een hogere
versnelling schoten.
Daarentegen
waren en zijn de schendingen van de voorschriften en bestendig beleid zeer
eenvoudig te herkennen, en bovendien zijn deze schendingen in wezen niet
eens te verdedigen. Van een doorslaggevend belang is wellicht het gegeven,
dat de staatssecretaris wel politiek verantwoordelijk is, maar dat hij
voor fiscaal technisch beslissingen volledig afhankelijk is van zijn
topambtenaren van de Belastingdienst, in dit geval zelfs van corrupte
topambtenaren. Ambtenaren van de Belastingdienst zijn er in de jaren 1995
tot en met 1997 mee begonnen hun staatssecretaris, Willem Vermeend, te
misleiden. Op zijn beurt heeft Vermeend in 1996 de Tweede Kamer, en in
1998 De Nationale Ombudsman, misleid, door hen onjuiste informatie over
mijn bedrijf te verstrekken en gelijktijdig belangrijke fundamentele
informatie over mijn bedrijf achter te houden.
Uit
documenten van de staatssecretaris blijkt, dat de misleiding van De
Nationale Ombudsman door de staatssecretaris daadwerkelijk is uitgevoerd
door de toenmalige plaatsvervangend Directeur-generaal van de
Belastingdienst Jenny Thunnissen. Of zij ook Vermeend de Tweede Kamer liet
misleiden is mij niet bekend, al ligt het wel voor de hand.
Op
16 mei 2000 verzocht ik de Directeur-generaal van de Belastingdienst
onmiddellijk twee invloedrijke ambtenaren te schorsen en een diepgaand
onderzoek in te stellen in het conflict Trading Advice/Broersma versus de
Overheid. Toen bleek mij, dat per 1 mei 2000 mevrouw Jenny Thunnissen de
nieuwe Directeur-generaal was geworden, als opvolger van Joop van Lunteren.
Een diepgaand onderzoek instellen betekende evenwel, dat mevrouw
Thunnissen haar eigen foute rol in haar functie van plaatsvervangend
Directeur-generaal onder Willem Vermeend moest gaan onderzoeken en
veroordelen. Die weg wilde zij kennelijk niet bewandelen. Reeds op 8
augustus 2000 schreef mij mevrouw Thunnissen, “dat
ze mijn klachten had onderzocht en dat ze niet gegrond waren”.
Daartegenover bezit ik een schriftelijke verklaring van de
staatssecretaris waarin staat, dat op het Ministerie van Financiën van
een onderzoek van mevrouw Thunnissen niets in documenten is vastgelegd.
Natuurlijk ging mevrouw Thunnissen haar eigen misdaden niet onderzoeken,
laat staan veroordelen.
Door
de affaire Peper was Willem Vermeend opgeschoven naar de ministerspost van
sociale zaken en werd de nieuwe staatssecretaris van Financiën Wouter
Bos. Middels mijn rapport ”meneer
Bos, uw D-G stuntelt” (15-8-2000), gericht aan de staatssecretaris
persoonlijk, informeerde ik de staatssecretaris rechtstreeks over het niet
juiste optreden van zijn Directeur-generaal en andere (top)ambtenaren.
Op
13 september 2000 had ik een persoonlijk onderhoud met Wouter Bos op zijn
Ministerie van Financiën. De staatssecretaris zei, tijdens een aangenaam
onderhoud, dat hij serieus met mijn klacht zou omgaan.
Hij
zei ook, dat hij het benodigde onderzoek niet zelf uit kon voeren, en dat
de plaatsvervangend Directeur-generaal van de Belastingdienst Jaques van
Blijswijk, die bij het gesprek aanwezig was, dat voor hem zou doen.
Zeker
met kennis achteraf, kan ik zeggen, dat deze handelwijze een opzetje was
van de Directeur-generaal en de plaatsvervangend Directeur-generaal, de
hoogste ambtenaren van de Belastingdienst en de voornaamste adviseurs van
de staatssecretaris van Financiën. Hoe zou nu de plaatsvervangend
Directeur-generaal een onafhankelijk onderzoek kunnen doen naar misdaden
van de Directeur-generaal? Daar nam de staatssecretaris toch een groot
risico, of had de staatssecretaris daarover niets te vertellen? En
natuurlijk ging het fout.
Eén
van de grote fiscaal technische fouten van de staatssecretaris is, zelfs
zonder specifieke dossierkennis, zeer eenvoudig te herkennen. In het
geharmoniseerde Europese belastingrecht is in “de
zesde Richtlijn” (Europese bepaling m.b.t. de omzetbelasting)
bepaald, dat wanneer er voor een ondernemer sprake is van ondernemerschap
voor de inkomstenbelasting, dat er dan (altijd) gelijktijdig sprake is van
ondernemerschap voor de omzetbelasting. Wanneer aan het meerdere is
voldaan, dan is tevens aan het mindere voldaan. Uitzonderingen op deze
regel kunnen niet bestaan. Toch was het standpunt van de staatssecretaris,
dat er voor mijn bedrijf Trading Advice (kennelijk als enige in Europa)
wel sprake was van ondernemerschap voor de inkomstenbelasting, maar dat er
gelijktijdig voor mijn bedrijf geen sprake was van ondernemerschap voor de
omzetbelasting.
Met
mijn speciaal voor de staatssecretaris van Financiën Wouter Bos
geschreven rapport “de zesde Richtlijn genegeerd” (17-11-2000) wees ik de staatssecretaris op het
feit, dat niet alleen zijn standpunt niet juist en zelfs onmogelijk was,
maar dat tevens het door de staatssecretaris aangevoerde argument tegen
het ondernemerschap voor de omzetbelasting, Trading Advice zou niet tegen
vergoeding hebben gepresteerd, door hem zelf reeds meerdere malen
nadrukkelijk en schriftelijk was weerlegd!
Uit
zijn brief van 22 december 2000 bleek duidelijk, dat de plaatsvervangend
Directeur-generaal Van Blijswijk staatssecretaris Bos ging adviseren zijn
ingenomen positie te handhaven. Van Blijswijk had niet alleen een loopje
genomen met de feitelijkheden, hij verwees voor zijn vermeend gelijk ook
nog naar beleid, dat reeds jaren niet meer bestond.
Per
brief van 3 januari 2001 informeerde ik Hare Majesteit, Minister-president
Kok, minister van Financiën Zalm, staatssecretaris Bos, de vaste
kamercommissie voor Financiën van de Tweede Kamer en de rijksrecherche
onder meer over het feit, dat de plaatsvervangend Directeur-generaal van
de Belastingdienst Van Blijswijk op het punt stond zijn staatssecretaris
actief fraude te laten plegen. Voor passieve fraude, niet door de
staatssecretaris zelf gepleegd maar door zijn ambtenaren, was hij immers
reeds verantwoordelijk. Ik verzocht Minister-president Wim Kok en minister
van Financiën Gerrit Zalm om staatssecretaris van Financiën Wouter Bos
te ondersteunen m.b.t. zijn corrupte topambtenaren. Het kabinet der
Koningin en het ministerie van Algemene Zaken lieten mij weten, dat zij
mijn brief ter beantwoording hadden doorgezonden naar de staatssecretaris
van Financiën.
Per
brief van 20 april 2001 kwam de reactie van de staatssecretaris. Hij
deelde mij mede, dat hij zijn brief mede namens de minister van Financiën
had geschreven, en dat zijn brief tevens het antwoord voor en aan Hare
Majesteit en voor en aan de Minister-president was. Samengevat deelde de
staatssecretaris mede, dat hij en zijn ambtenaren geen fouten hadden
gemaakt in het conflict Trading Advice/Broersma versus de Overheid. Dat
kon om meerdere redenen onmogelijk waar zijn, ik noemde reeds de schending
van “de zesde Richtlijn”.
Naast deze schending vermeldde de staatssecretaris in zijn brief ook een
boze truc, om het feit, dat hij (zelfs meermaals) middels eerder ingenomen
(juiste) standpunten in rechte te beschermen vertrouwen had geschonden, te
rechtvaardigen. De staatssecretaris verwees in zijn brief voor een casus
uit 1995 naar beleid, dat reeds onder de vorige Directeur-generaal van de
Belastingdienst Van Lunteren in 1992 was opgehouden te bestaan.
Onmiddellijk
bracht ik Hare Majesteit en de Minister-president op de hoogte van het
feit, dat zij door de staatssecretaris en de minister van Financiën waren
misleid, waren voorgelogen. Van het kabinet der Koningin kreeg ik de
reactie, dat Hare Majesteit in deze fase niets meer voor mij kon doen. De
Minister-president zweeg in alle talen, waarmee naar mijn mening niet meer
valt te ontkennen, dat hij instemde met deze doofpot in het conflict
Trading Advice/Broersma versus de Overheid.
Via
een rechterlijke uitspraak in een WOB-procedure kreeg ik schriftelijk
bewijs in handen, dat de plaatsvervangend Directeur-generaal van de
Belastingdienst Van Blijswijk minister Zalm op 22 januari 2001, drie weken
na mijn hulpverzoek van 3 januari 2001 aan hem, van onjuiste en
misleidende informatie had voorzien. Derhalve vroeg ik op 5 maart 2002 een
persoonlijk onderhoud aan met (demissionair) minister Zalm.
Ik
diende voorbij de corrupte waakhonden Thunnissen en Van Blijswijk te
komen, om de minister in een rechtstreekse confrontatie op de hoogte te
brengen van het feit, dat hij niet alleen de voorschriften en bestendig
beleid had geschonden, maar dat het op zijn (geliefde) Ministerie van
Financiën wemelde van praktijken van list en bedrog en corruptie. Twee
maanden lang verzamelde beleidsmedewerker Nieuwendijk relevante informatie
voor zijn minister ter voorbereiding op het inmiddels toegezegde
onderhoud. De minister kende ten slotte alleen de niet correcte versie van
zijn topambtenaar. De heer Nieuwendijk kreeg alle benodigde informatie,
inclusief mijn rapport “minister, u bent bedrogen” (16-5-2002) voor minister Zalm.
Dat
het toegezegde en uiterst zorgvuldig voorbereide onderhoud met
(demissionair) minister Zalm op het laatste moment niet is doorgegaan zal
slechts weinigen verwonderen. Stel je voor, dat Zalm zelf zijn bevriende
topambtenaren had moeten ontmaskeren. Per brief van 21 juni 2002
bevestigde (demissionair) minister Zalm mij in een persoonlijk schrijven,
dat er echt niets was fout gegaan.
Dat
Directeur-generaal Jenny Thunnissen de touwtjes strak in handen heeft, en
dat zij momenteel persoonlijk de regie voert om het frauduleus gedrag op
haar departement in het conflict Trading Advice/Broersma versus de
Overheid in de doofpot te houden, mag uit het volgende blijken. Toen ik
per brief van 23 augustus 2002 de nieuwe staatssecretaris en minister van
Financiën, resp. Van Eijck en Hoogervorst, op de hoogte wilde brengen van
het feit, dat er uit het vorige kabinet nog een lijk in de kast lag (deze
waarschuwing zond ik tevens naar alle fractievoorzitters van de politieke
partijen in de Tweede Kamer) antwoordde mevrouw Thunnissen persoonlijk mij
op 15 oktober 2002, dat mijn informatie voor kennisgeving was aangenomen,
omdat ik geen nieuwe feiten had aangevoerd. Deels heeft mevrouw Thunnissen
natuurlijk gelijk, de ten gronde liggende feiten zijn ongewijzigd
gebleven, maar er was wel een nieuwe staatssecretaris en een nieuwe
minister van Financiën. Van hen wilde ik weten, of zij het niet juist
uitgevoerde beleid en de niet juiste standpunten van hun voorgangers
steunden.
Wie
bewaakt er de integriteit en waakt er voor corruptie bij de Overheid?
In
1996 heb ik de hulp ingeroepen van de vaste kamercommissie voor Financiën
van de Tweede Kamer, omdat de staatssecretaris zijn werk niet naar behoren
deed. Helaas faalde de vaste kamercommissie, en liet zij het niet juiste
gedrag en een niet juist standpunt van de staatssecretaris kritiekloos
liet passeren.
In
1998 weigerde De Nationale Ombudsman om de frauduleuze handelingen van de
staatssecretaris van Financiën te stoppen.
Met
mijn rapport “causaliteit”
(20-7-2000) verzocht ik de commissie voor de Verzoekschriften een
onderzoek in te stellen naar gedragingen van de staatssecretaris van
Financiën en De Nationale Ombudsman. De commissie deed helemaal niets.
Op
20 november 2001 bracht ik mijn rapport “Koninklijk bedrog” (20-11-2001) persoonlijk naar de Tweede Kamer. Alle fracties
van de politieke partijen in de Tweede Kamer der Staten Generaal ontvingen
een exemplaar. Eén mededeling in dit rapport was, dat Kok, Zalm en Bos
(dus nadrukkelijk de Nederlandse regering) middels hun brief van 20 april
2001 een zeer ernstige fraudezaak in de doofpot hebben gestopt. In dit
rapport doe ik o.a. een aanbeveling voor een onafhankelijke
onderzoekscommissie. Op dit rapport is niet alleen geen enkele reactie
gekomen, bij navraag bleek tevens, dat de meeste fracties het rapport
zelfs zijn kwijt geraakt.
Op
3 december 2001 deelde kamerlid Balkenende (CDA) mij in Middelburg mede,
dat hij naar de zaak zou laten kijken. Kamerlid Henk de Haan zou met de
uitvoering belast worden. Op 9 december 2001 voegde de heer Balkenende
Sybrand van Haersma Buma (CDA en destijds fractiemedewerker) aan de zaak
toe. Maar op 12 december 2001 gooide de heer de Haan, tijdens een
ontmoeting die ik met hem had bij de Tweede Kamer, reeds de deur dicht.
Hij zei o.a., Koninklijk bedrog meneer Broersma, wat mot ik ermee, er komt
geen onderzoek, en uw “zaak” is voor de Tweede Kamer kapot, verwijzend
naar de eerdere weigering tot onderzoek van de Tweede Kamer in 2000. Om
aan te tonen dat mijn “zaak” zeker niet kapot was, schreef ik een
aanvullend rapport “Daadwerkelijk
fraude of frustraties van een vermeende klokkenluider” (21-2-2002),
welke rapport door Henk de Haan zou worden ingeleverd bij de commissie
voor de Verzoekschriften. Kamerlid De Haan heeft dit rapport evenwel met
opzet, en tegen de gemaakte afspraak in, niet ingeleverd bij de commissie
voor de Verzoekschriften. Kamerlid Leen van Dijke (ChristenUnie) schreef
over deze handeling op 14 maart 2002 letterlijk, “Henk
de Haan heeft tegenover mij (en jou) gelogen. Dat neem ik hoog op”.
Maar ook Leen van Dijke schuwde kennelijk de grotere krachten in het
politieke spel.
Op
23 augustus 2002 heb ik alle fractievoorzitters van de politieke partijen
in de Tweede Kamer der Staten Generaal gemeld, dat er van het vorige
kabinet nog een lijk in de kast ligt. Opnieuw was de reactie nul. De
moeite die ik mij getroost heb, om de LPF voor het conflict te
interesseren, had ik mij beter kunnen besparen. Een groot bewijs van
incompetentie kreeg ik op 25 oktober 2002 (opnieuw was ik bij de Tweede
Kamer) van kamerlid Willem van der Velden (LPF). Spant u maar een kort
geding aan was zijn reactie. En dat op een moment, dat de LPF Gerrit Zalm
wel de nek om had kunnen draaien, omdat deze fractievoorzitter “de
stekker uit het kabinet” zou hebben getrokken.
Strafbare
zaken in het conflict Trading Advice/Broersma versus de Overheid.
Fraude
is een bestuursrechterlijk term, en fraude dient in die zin ook
verantwoord te worden bij diegene die het openbaar bestuur
bestuursrechterlijk controleert. De Tweede Kamer der Staten Generaal, en
wellicht ook de Algemene Rekenkamer. Op 4 december 2002 verzocht ik de
Algemene Rekenkamer middels mijn rapport “Rechter
in eigen zaak?” (4-12-2002) een onderzoek in te stellen, omdat het
algemeen belang op grove wijze door de regering was geschaad.
Maar
bij de gepleegde bestuursrechterlijke onjuiste handelingen zijn ook
misdrijven, in de zin van het strafrecht, gepleegd. Op 3 januari 2001 had
ik ook de rijksrecherche verzocht een onderzoek in te stellen. Directeur
Pijl deelde mij mede, dat hij op mijn verzoek geen onderzoek kon starten,
en hij verwees mij naar de voorzitter van het college van
Procureurs-generaal de heer Joan de Wijkerslooth de Weerdesteijn. Omdat
het (mede) ging om strafbare zaken die waren gepleegd op een Haags
departement, schreef ik de heer De Wijkerslooth aan. Ik verzocht hem onder
meer, om mij voor een gesprek uit te nodigen. Het college wilde evenwel
geen gesprek en geen onderzoek.
Dan
naar de minister van Justitie Benk Korthals. Die maakte een omtrekkende
beweging en stuurde mij, na de weigering van de Wijkerslooth en hoewel het
ging om strafbare zaken op één van de departementen, naar de politie.
Daar wachtte mij een nieuwe verrassing. De politie Vlissingen weigerde in
samenspraak met de fraudeofficier in Middelburg zelfs om mijn aangifte op
te nemen. Zogenaamd omdat De Nationale Ombudsman en de Tweede Kamer al
naar de “zaak” hadden gekeken. Vervolgens verzocht ik de hoofdofficier
van Justitie in Middelburg Eland of ik bij hem aangifte mocht doen van
strafbare feiten. Het kan geen verbazing meer wekken, dat dit schriftelijk
verzoek, dat ik nota bene persoonlijk bij de Rechtbank had afgegeven, en
waarvan ik een ondertekend afschrift heb, bij de Rechtbank kwijtraakte.
Op
16 oktober 2002 diende ik bij de Rechtbank Middelburg mijn rapport “Daderspoor”
(16-10-2002) in. In dit rapport verzoek ik om tegen 39 personen van het
openbaar bestuur en haar controleurs een strafrechterlijk onderzoek in te
stellen. De te controleren personen zijn (oud)ministers,
(oud)staatssecretarissen, de Directeur-generaal en de plaatsvervangend
Directeur-generaal van de Belastingdienst, leden van de Raad van State,
leden van het Openbaar Ministerie, waaronder ook De Wijkerslooth en leden
van de Tweede Kamer der Staten Generaal.
Natuurlijk
weigerde hoofdofficier Eland een strafrechterlijk onderzoek in te stellen.
Zijn motivatie voor zijn beschikking bestond uit zijn opmerking, dat men
tegen organen als de Tweede Kamer en de Raad van State geen
strafrechterlijk onderzoek in kan stellen. Dit is een opvallende
drogreden, omdat ik mij over geen enkel orgaan heb beklaagd. Ik heb alleen
tegen personen een strafrechterlijke klacht ingediend. Inmiddels heb ik
mij bij zowel het Gerechtshof als bij de Hoge Raad, via een artikel 12
procedure, beklaagd over de weigering van het Openbaar Ministerie om een
strafrechterlijk onderzoek in te stellen.
Omdat
er in Nederland nog een instantie is die zich bezig houdt met controle op
door de regering uitgevoerd beleid, en of de regering zich wel aan de
regels houdt, stuurde ik op 4 december 2002 mijn rapport “Rechter
in eigen zaak” (4-12-2002) naar de Algemene Rekenkamer. In dit
rapport verzoek ik de Algemene Rekenkamer een onderzoek in te stellen naar
het gedrag van de regering in het conflict Trading Advice/Broersma versus
de Overheid. Omdat met dit foute gedrag en de schending van bestendig
beleid door de regering, het niet juiste gedrag van de Tweede Kamer, De
Nationale Ombudsman, de Raad van State en het Openbaar Ministerie het
algemeen belang geschaad is. Een frauderende Overheid, dat raakt iedere
burger. Bovendien kan geconcludeerd worden, dat het overheidsapparaat mij
de bescherming, van de door haar zelf ontworpen, wet onthoudt. Het
landsbestuur blijkt ten minste reeds één burger niet eens de garantie te
kunnen geven op de bescherming van de wet.
Maar
ook bij de Algemene Rekenkamer ging er direct al iets fout. Op 21 januari
2003 deelde een medewerkster van de Algemene Rekenkamer mij mede, dat de
Rekenkamer de drie door mij bij haar ingeleverde rapporten was
kwijtgeraakt! Is dit een nieuw geval van pech, of reikt de lange arm der
boze krachten zelfs nog tot in de rekenkamer?
|