www.belastingfraude.nl
"Fraude door bewindslieden en (top)ambtenaren
van de Belastingdienst. Zelfs Hare Majesteit belogen."

Gebruiksaanwijzing      (1) Menu                            (2) Samenvatting                (3) Waarborgt de overheid (4) Integriteit en fraude      (5) Hoofdlijnen conflict      (6) Einde Trading Advice    (7) Belastingdienst Goes      (8) Ministerie                     (9) Bewindslieden             (10) Koningin en Premier    (11) Zelfcontrole overheid  (12) Nationale Ombudsman (13) WOB en media             (14) Staatsterreur              (15) Tweede Kamer            (16)

3. Een samenvatting  (januari 2003)

Een Haagse misdaad, hoe Wim Kok, Gerrit Zalm en Wouter Bos frauduleuze handelingen van o.a. topambtenaren van de Belastingdienst in de doofpot stopten, of misschien wel dienden te stoppen, en waarbij alle controlemechanismen van het openbaar bestuur volledig faalden.

Bestuursrechtelijk

Het conflict Trading Advice/Broersma versus de Overheid is geen sciencefiction verhaal, maar een absolute keiharde werkelijkheid. In dit conflict blijkt opnieuw, dat bestuurlijk Nederland op sommige momenten volkomen terecht de status van een bananenrepubliek toe zou mogen komen, met praktijken zoals we die alleen denken te kennen van totalitaire regimes. Het conflict is een praktijk van list en bedrog van voornamelijk de allerhoogste bestuurders, staatssecretarissen en ministers, inclusief de Minister-president. Daarbij staat het onomstotelijk vast dat deze bestuurders zich in dit conflict volledig gesteund weten door, professioneel en integer geachte, bewakers van onze democratie, zoals de Tweede Kamer der Staten Generaal, De Nationale Ombudsman, de Raad van State en het Openbaar Ministerie. Deze instituten hebben zich, tot op heden (januari 2003) niet alleen op geen enkel moment van hun taak gekweten, zij pleegden zelfs list en/of bedrog om aan hun verplichtingen te ontkomen. Het enig te bedenken doel van deze handelingen kan zijn, om het schandaal van fraude en bedrog van de hoogste bestuurders in de doofpot te houden.

Ga ermee naar de pers riep iedereen. Ondanks verwoede pogingen heb ik evenwel (nog) geen journalist kunnen vinden die het conflict Trading Advice/Broersma versus de Overheid onder bredere aandacht wil brengen. Helaas hebben meerdere vertegenwoordigers van deze beroepsgroep geweigerd het conflict te onderzoeken en te onthullen. Daar waar zij de bewaking van het democratisch proces middels onthullingen een flinke duw in de rug hadden kunnen geven, lijken zij het corrigeren van fouten van het openbaar bestuur kennelijk aan de onafhankelijke rechter over te willen laten.

De bron van dit conflict ligt bij de staatssecretaris van Financiën, meer in het bijzonder bij zijn corrupte (top)ambtenaren van de Belastingdienst. Onder de (politieke) verantwoordelijkheid van de staatssecretaris maakten invloedrijke ambtenaren van de Belastingdienst in de periode 1995 tot en met 1997 dermate heftige fouten, dat ik daardoor in januari 1997 gedwongen was mijn onderneming Trading Advice (beleggingsadviezen en vermogensbeheer) te beëindigen De financiële schade die uit dit gedwongen einde is ontstaan bedraagt voor mij en de staat (de burger, de belastingbetaler) respectievelijk ten minste 50 miljoen euro en 20 miljoen euro.

In de latere fase van verantwoording voor zijn daden toonde de staatssecretaris zich een slechte verliezer, die zijn gemaakte fouten niet toe kan geven en zijn verantwoordelijkheid niet kan nemen. Ook in deze fase van verantwoording van zijn gevoerd beleid schroomde de staatssecretaris, ondanks heldere welonderbouwde waarschuwingen aan zijn adres, niet om zijn gepleegde misdaden te ontkennen.

De door de staatssecretaris gepleegde misdaden bestaan uit het meerdere malen schenden van de voorschriften, uit het meerdere malen schenden van regelgeving en bestendig beleid, en uit het meerdere malen verspreiden van onjuiste informatie, dan wel uit het achterhouden van belangrijke informatie, en het eveneens meerdere malen schenden van het vertrouwensbeginsel. Het plegen van dergelijke misdaden heet onomstotelijk fraude.

Na een jarenlange strijd hebben uiteindelijk (oud)Minister-president Wim Kok, (oud)minister van Financiën Gerrit Zalm en (oud)staatssecretaris van Financiën Wouter Bos per brief van 20 april 2001 deze zeer ernstige fraudezaak in de doofpot gestopt. Helaas hebben deze bewindslieden daarbij ook hun minachting voor de goede naam en status van Hare Majesteit getoond, door onze majesteit te misleiden en in haar naam ook nog misleidende informatie te verstrekken.

Bedekt houden, in de doofpot stoppen

Er dient in deze fraudezaak zeer veel bedekt te blijven. Naast de rol van de bewindslieden valt voor volgers van het conflict de rol op van de De Nationale Ombudsman, de Tweede Kamer der Staten Generaal, de Raad van State, het Openbaar Ministerie.

Over de Nationale Ombudsman Marten Oosting, valt te vermelden, dat hij zich in 1998 slechts korte tijd met het conflict bemoeid heeft. Met duidelijke bewijzen te staven, valt de conclusie te trekken, dat deze ombudsman geen wezenlijk onderzoek heeft gepleegd. Oosting heeft zich, ondanks mijn waarschuwingen, moeiteloos of gewillig door de staatssecretaris met een kluitje in het riet laten sturen. Hij heeft kritiekloos de zijde van de staatssecretaris van Financiën gekozen, daarbij de schendingen van de voorschriften en bestendig beleid door de staatssecretaris, die ook hij waarnam of kon en moest waarnemen, voor lief nemend. Hij bracht daarnaast in de publiciteit, dat (samengevat) de staatssecretaris in het conflict Trading Advice/Broersma versus de Overheid geen fouten had gemaakt, hetgeen in strijd is met de werkelijkheid. En dat terwijl De Nationale Ombudsman alleen tot half 1998 belangstelling voor het conflict toonde, waarna de overtredingen van het landsbestuur ook nog eens in een hogere versnelling schoten.

Daarentegen waren en zijn de schendingen van de voorschriften en bestendig beleid zeer eenvoudig te herkennen, en bovendien zijn deze schendingen in wezen niet eens te verdedigen. Van een doorslaggevend belang is wellicht het gegeven, dat de staatssecretaris wel politiek verantwoordelijk is, maar dat hij voor fiscaal technisch beslissingen volledig afhankelijk is van zijn topambtenaren van de Belastingdienst, in dit geval zelfs van corrupte topambtenaren. Ambtenaren van de Belastingdienst zijn er in de jaren 1995 tot en met 1997 mee begonnen hun staatssecretaris, Willem Vermeend, te misleiden. Op zijn beurt heeft Vermeend in 1996 de Tweede Kamer, en in 1998 De Nationale Ombudsman, misleid, door hen onjuiste informatie over mijn bedrijf te verstrekken en gelijktijdig belangrijke fundamentele informatie over mijn bedrijf achter te houden.

Uit documenten van de staatssecretaris blijkt, dat de misleiding van De Nationale Ombudsman door de staatssecretaris daadwerkelijk is uitgevoerd door de toenmalige plaatsvervangend Directeur-generaal van de Belastingdienst Jenny Thunnissen. Of zij ook Vermeend de Tweede Kamer liet misleiden is mij niet bekend, al ligt het wel voor de hand.

Op 16 mei 2000 verzocht ik de Directeur-generaal van de Belastingdienst onmiddellijk twee invloedrijke ambtenaren te schorsen en een diepgaand onderzoek in te stellen in het conflict Trading Advice/Broersma versus de Overheid. Toen bleek mij, dat per 1 mei 2000 mevrouw Jenny Thunnissen de nieuwe Directeur-generaal was geworden, als opvolger van Joop van Lunteren. Een diepgaand onderzoek instellen betekende evenwel, dat mevrouw Thunnissen haar eigen foute rol in haar functie van plaatsvervangend Directeur-generaal onder Willem Vermeend moest gaan onderzoeken en veroordelen. Die weg wilde zij kennelijk niet bewandelen. Reeds op 8 augustus 2000 schreef mij mevrouw Thunnissen, “dat ze mijn klachten had onderzocht en dat ze niet gegrond waren”. Daartegenover bezit ik een schriftelijke verklaring van de staatssecretaris waarin staat, dat op het Ministerie van Financiën van een onderzoek van mevrouw Thunnissen niets in documenten is vastgelegd. Natuurlijk ging mevrouw Thunnissen haar eigen misdaden niet onderzoeken, laat staan veroordelen.

Door de affaire Peper was Willem Vermeend opgeschoven naar de ministerspost van sociale zaken en werd de nieuwe staatssecretaris van Financiën Wouter Bos. Middels mijn rapport ”meneer Bos, uw D-G stuntelt” (15-8-2000), gericht aan de staatssecretaris persoonlijk, informeerde ik de staatssecretaris rechtstreeks over het niet juiste optreden van zijn Directeur-generaal en andere (top)ambtenaren.

Op 13 september 2000 had ik een persoonlijk onderhoud met Wouter Bos op zijn Ministerie van Financiën. De staatssecretaris zei, tijdens een aangenaam onderhoud, dat hij serieus met mijn klacht zou omgaan.Wouter op klantenbezoek Hij zei ook, dat hij het benodigde onderzoek niet zelf uit kon voeren, en dat de plaatsvervangend Directeur-generaal van de Belastingdienst Jaques van Blijswijk, die bij het gesprek aanwezig was, dat voor hem zou doen.

Zeker met kennis achteraf, kan ik zeggen, dat deze handelwijze een opzetje was van de Directeur-generaal en de plaatsvervangend Directeur-generaal, de hoogste ambtenaren van de Belastingdienst en de voornaamste adviseurs van de staatssecretaris van Financiën. Hoe zou nu de plaatsvervangend Directeur-generaal een onafhankelijk onderzoek kunnen doen naar misdaden van de Directeur-generaal? Daar nam de staatssecretaris toch een groot risico, of had de staatssecretaris daarover niets te vertellen? En natuurlijk ging het fout.

Eén van de grote fiscaal technische fouten van de staatssecretaris is, zelfs zonder specifieke dossierkennis, zeer eenvoudig te herkennen. In het geharmoniseerde Europese belastingrecht is in “de zesde Richtlijn” (Europese bepaling m.b.t. de omzetbelasting) bepaald, dat wanneer er voor een ondernemer sprake is van ondernemerschap voor de inkomstenbelasting, dat er dan (altijd) gelijktijdig sprake is van ondernemerschap voor de omzetbelasting. Wanneer aan het meerdere is voldaan, dan is tevens aan het mindere voldaan. Uitzonderingen op deze regel kunnen niet bestaan. Toch was het standpunt van de staatssecretaris, dat er voor mijn bedrijf Trading Advice (kennelijk als enige in Europa) wel sprake was van ondernemerschap voor de inkomstenbelasting, maar dat er gelijktijdig voor mijn bedrijf geen sprake was van ondernemerschap voor de omzetbelasting.

Met mijn speciaal voor de staatssecretaris van Financiën Wouter Bos geschreven rapport “de zesde Richtlijn genegeerd” (17-11-2000) wees ik de staatssecretaris op het feit, dat niet alleen zijn standpunt niet juist en zelfs onmogelijk was, maar dat tevens het door de staatssecretaris aangevoerde argument tegen het ondernemerschap voor de omzetbelasting, Trading Advice zou niet tegen vergoeding hebben gepresteerd, door hem zelf reeds meerdere malen nadrukkelijk en schriftelijk was weerlegd!

Uit zijn brief van 22 december 2000 bleek duidelijk, dat de plaatsvervangend Directeur-generaal Van Blijswijk staatssecretaris Bos ging adviseren zijn ingenomen positie te handhaven. Van Blijswijk had niet alleen een loopje genomen met de feitelijkheden, hij verwees voor zijn vermeend gelijk ook nog naar beleid, dat reeds jaren niet meer bestond.

Per brief van 3 januari 2001 informeerde ik Hare Majesteit, Minister-president Kok, minister van Financiën Zalm, staatssecretaris Bos, de vaste kamercommissie voor Financiën van de Tweede Kamer en de rijksrecherche onder meer over het feit, dat de plaatsvervangend Directeur-generaal van de Belastingdienst Van Blijswijk op het punt stond zijn staatssecretaris actief fraude te laten plegen. Voor passieve fraude, niet door de staatssecretaris zelf gepleegd maar door zijn ambtenaren, was hij immers reeds verantwoordelijk. Ik verzocht Minister-president Wim Kok en minister van Financiën Gerrit Zalm om staatssecretaris van Financiën Wouter Bos te ondersteunen m.b.t. zijn corrupte topambtenaren. Het kabinet der Koningin en het ministerie van Algemene Zaken lieten mij weten, dat zij mijn brief ter beantwoording hadden doorgezonden naar de staatssecretaris van Financiën.

Per brief van 20 april 2001 kwam de reactie van de staatssecretaris. Hij deelde mij mede, dat hij zijn brief mede namens de minister van Financiën had geschreven, en dat zijn brief tevens het antwoord voor en aan Hare Majesteit en voor en aan de Minister-president was. Samengevat deelde de staatssecretaris mede, dat hij en zijn ambtenaren geen fouten hadden gemaakt in het conflict Trading Advice/Broersma versus de Overheid. Dat kon om meerdere redenen onmogelijk waar zijn, ik noemde reeds de schending van “de zesde Richtlijn”. Naast deze schending vermeldde de staatssecretaris in zijn brief ook een boze truc, om het feit, dat hij (zelfs meermaals) middels eerder ingenomen (juiste) standpunten in rechte te beschermen vertrouwen had geschonden, te rechtvaardigen. De staatssecretaris verwees in zijn brief voor een casus uit 1995 naar beleid, dat reeds onder de vorige Directeur-generaal van de Belastingdienst Van Lunteren in 1992 was opgehouden te bestaan.

Onmiddellijk bracht ik Hare Majesteit en de Minister-president op de hoogte van het feit, dat zij door de staatssecretaris en de minister van Financiën waren misleid, waren voorgelogen. Van het kabinet der Koningin kreeg ik de reactie, dat Hare Majesteit in deze fase niets meer voor mij kon doen. De Minister-president zweeg in alle talen, waarmee naar mijn mening niet meer valt te ontkennen, dat hij instemde met deze doofpot in het conflict Trading Advice/Broersma versus de Overheid.

Via een rechterlijke uitspraak in een WOB-procedure kreeg ik schriftelijk bewijs in handen, dat de plaatsvervangend Directeur-generaal van de Belastingdienst Van Blijswijk minister Zalm op 22 januari 2001, drie weken na mijn hulpverzoek van 3 januari 2001 aan hem, van onjuiste en misleidende informatie had voorzien. Derhalve vroeg ik op 5 maart 2002 een persoonlijk onderhoud aan met (demissionair) minister Zalm. 

Gerrit is de klosIk diende voorbij de corrupte waakhonden Thunnissen en Van Blijswijk te komen, om de minister in een rechtstreekse confrontatie op de hoogte te brengen van het feit, dat hij niet alleen de voorschriften en bestendig beleid had geschonden, maar dat het op zijn (geliefde) Ministerie van Financiën wemelde van praktijken van list en bedrog en corruptie. Twee maanden lang verzamelde beleidsmedewerker Nieuwendijk relevante informatie voor zijn minister ter voorbereiding op het inmiddels toegezegde onderhoud. De minister kende ten slotte alleen de niet correcte versie van zijn topambtenaar. De heer Nieuwendijk kreeg alle benodigde informatie, inclusief mijn rapport “minister, u bent bedrogen” (16-5-2002) voor minister Zalm.

Dat het toegezegde en uiterst zorgvuldig voorbereide onderhoud met (demissionair) minister Zalm op het laatste moment niet is doorgegaan zal slechts weinigen verwonderen. Stel je voor, dat Zalm zelf zijn bevriende topambtenaren had moeten ontmaskeren. Per brief van 21 juni 2002 bevestigde (demissionair) minister Zalm mij in een persoonlijk schrijven, dat er echt niets was fout gegaan.

Dat Directeur-generaal Jenny Thunnissen de touwtjes strak in handen heeft, en dat zij momenteel persoonlijk de regie voert om het frauduleus gedrag op haar departement in het conflict Trading Advice/Broersma versus de Overheid in de doofpot te houden, mag uit het volgende blijken. Toen ik per brief van 23 augustus 2002 de nieuwe staatssecretaris en minister van Financiën, resp. Van Eijck en Hoogervorst, op de hoogte wilde brengen van het feit, dat er uit het vorige kabinet nog een lijk in de kast lag (deze waarschuwing zond ik tevens naar alle fractievoorzitters van de politieke partijen in de Tweede Kamer) antwoordde mevrouw Thunnissen persoonlijk mij op 15 oktober 2002, dat mijn informatie voor kennisgeving was aangenomen, omdat ik geen nieuwe feiten had aangevoerd. Deels heeft mevrouw Thunnissen natuurlijk gelijk, de ten gronde liggende feiten zijn ongewijzigd gebleven, maar er was wel een nieuwe staatssecretaris en een nieuwe minister van Financiën. Van hen wilde ik weten, of zij het niet juist uitgevoerde beleid en de niet juiste standpunten van hun voorgangers steunden.

Wie bewaakt er de integriteit en waakt er voor corruptie bij de Overheid?

In 1996 heb ik de hulp ingeroepen van de vaste kamercommissie voor Financiën van de Tweede Kamer, omdat de staatssecretaris zijn werk niet naar behoren deed. Helaas faalde de vaste kamercommissie, en liet zij het niet juiste gedrag en een niet juist standpunt van de staatssecretaris kritiekloos liet passeren.

In 1998 weigerde De Nationale Ombudsman om de frauduleuze handelingen van de staatssecretaris van Financiën te stoppen.

Met mijn rapport “causaliteit” (20-7-2000) verzocht ik de commissie voor de Verzoekschriften een onderzoek in te stellen naar gedragingen van de staatssecretaris van Financiën en De Nationale Ombudsman. De commissie deed helemaal niets.

Op 20 november 2001 bracht ik mijn rapport “Koninklijk bedrog” (20-11-2001) persoonlijk naar de Tweede Kamer. Alle fracties van de politieke partijen in de Tweede Kamer der Staten Generaal ontvingen een exemplaar. Eén mededeling in dit rapport was, dat Kok, Zalm en Bos (dus nadrukkelijk de Nederlandse regering) middels hun brief van 20 april 2001 een zeer ernstige fraudezaak in de doofpot hebben gestopt. In dit rapport doe ik o.a. een aanbeveling voor een onafhankelijke onderzoekscommissie. Op dit rapport is niet alleen geen enkele reactie gekomen, bij navraag bleek tevens, dat de meeste fracties het rapport zelfs zijn kwijt geraakt.

Op 3 december 2001 deelde kamerlid Balkenende (CDA) mij in Middelburg mede, dat hij naar de zaak zou laten kijken. Kamerlid Henk de Haan zou met de uitvoering belast worden. Op 9 december 2001 voegde de heer Balkenende Sybrand van Haersma Buma (CDA en destijds fractiemedewerker) aan de zaak toe. Maar op 12 december 2001 gooide de heer de Haan, tijdens een ontmoeting die ik met hem had bij de Tweede Kamer, reeds de deur dicht. Hij zei o.a., Koninklijk bedrog meneer Broersma, wat mot ik ermee, er komt geen onderzoek, en uw “zaak” is voor de Tweede Kamer kapot, verwijzend naar de eerdere weigering tot onderzoek van de Tweede Kamer in 2000. Om aan te tonen dat mijn “zaak” zeker niet kapot was, schreef ik een aanvullend rapport “Daadwerkelijk fraude of frustraties van een vermeende klokkenluider” (21-2-2002), welke rapport door Henk de Haan zou worden ingeleverd bij de commissie voor de Verzoekschriften. Kamerlid De Haan heeft dit rapport evenwel met opzet, en tegen de gemaakte afspraak in, niet ingeleverd bij de commissie voor de Verzoekschriften. Kamerlid Leen van Dijke (ChristenUnie) schreef over deze handeling op 14 maart 2002 letterlijk, “Henk de Haan heeft tegenover mij (en jou) gelogen. Dat neem ik hoog op”. Maar ook Leen van Dijke schuwde kennelijk de grotere krachten in het politieke spel.

Op 23 augustus 2002 heb ik alle fractievoorzitters van de politieke partijen in de Tweede Kamer der Staten Generaal gemeld, dat er van het vorige kabinet nog een lijk in de kast ligt. Opnieuw was de reactie nul. De moeite die ik mij getroost heb, om de LPF voor het conflict te interesseren, had ik mij beter kunnen besparen. Een groot bewijs van incompetentie kreeg ik op 25 oktober 2002 (opnieuw was ik bij de Tweede Kamer) van kamerlid Willem van der Velden (LPF). Spant u maar een kort geding aan was zijn reactie. En dat op een moment, dat de LPF Gerrit Zalm wel de nek om had kunnen draaien, omdat deze fractievoorzitter “de stekker uit het kabinet” zou hebben getrokken.

Strafbare zaken in het conflict Trading Advice/Broersma versus de Overheid.

Fraude is een bestuursrechterlijk term, en fraude dient in die zin ook verantwoord te worden bij diegene die het openbaar bestuur bestuursrechterlijk controleert. De Tweede Kamer der Staten Generaal, en wellicht ook de Algemene Rekenkamer. Op 4 december 2002 verzocht ik de Algemene Rekenkamer middels mijn rapport “Rechter in eigen zaak?” (4-12-2002) een onderzoek in te stellen, omdat het algemeen belang op grove wijze door de regering was geschaad.

Maar bij de gepleegde bestuursrechterlijke onjuiste handelingen zijn ook misdrijven, in de zin van het strafrecht, gepleegd. Op 3 januari 2001 had ik ook de rijksrecherche verzocht een onderzoek in te stellen. Directeur Pijl deelde mij mede, dat hij op mijn verzoek geen onderzoek kon starten, en hij verwees mij naar de voorzitter van het college van Procureurs-generaal de heer Joan de Wijkerslooth de Weerdesteijn. Omdat het (mede) ging om strafbare zaken die waren gepleegd op een Haags departement, schreef ik de heer De Wijkerslooth aan. Ik verzocht hem onder meer, om mij voor een gesprek uit te nodigen. Het college wilde evenwel geen gesprek en geen onderzoek.

Dan naar de minister van Justitie Benk Korthals. Die maakte een omtrekkende beweging en stuurde mij, na de weigering van de Wijkerslooth en hoewel het ging om strafbare zaken op één van de departementen, naar de politie. Daar wachtte mij een nieuwe verrassing. De politie Vlissingen weigerde in samenspraak met de fraudeofficier in Middelburg zelfs om mijn aangifte op te nemen. Zogenaamd omdat De Nationale Ombudsman en de Tweede Kamer al naar de “zaak” hadden gekeken. Vervolgens verzocht ik de hoofdofficier van Justitie in Middelburg Eland of ik bij hem aangifte mocht doen van strafbare feiten. Het kan geen verbazing meer wekken, dat dit schriftelijk verzoek, dat ik nota bene persoonlijk bij de Rechtbank had afgegeven, en waarvan ik een ondertekend afschrift heb, bij de Rechtbank kwijtraakte.

Op 16 oktober 2002 diende ik bij de Rechtbank Middelburg mijn rapport “Daderspoor” (16-10-2002) in. In dit rapport verzoek ik om tegen 39 personen van het openbaar bestuur en haar controleurs een strafrechterlijk onderzoek in te stellen. De te controleren personen zijn (oud)ministers, (oud)staatssecretarissen, de Directeur-generaal en de plaatsvervangend Directeur-generaal van de Belastingdienst, leden van de Raad van State, leden van het Openbaar Ministerie, waaronder ook De Wijkerslooth en leden van de Tweede Kamer der Staten Generaal.

Natuurlijk weigerde hoofdofficier Eland een strafrechterlijk onderzoek in te stellen. Zijn motivatie voor zijn beschikking bestond uit zijn opmerking, dat men tegen organen als de Tweede Kamer en de Raad van State geen strafrechterlijk onderzoek in kan stellen. Dit is een opvallende drogreden, omdat ik mij over geen enkel orgaan heb beklaagd. Ik heb alleen tegen personen een strafrechterlijke klacht ingediend. Inmiddels heb ik mij bij zowel het Gerechtshof als bij de Hoge Raad, via een artikel 12 procedure, beklaagd over de weigering van het Openbaar Ministerie om een strafrechterlijk onderzoek in te stellen.

Omdat er in Nederland nog een instantie is die zich bezig houdt met controle op door de regering uitgevoerd beleid, en of de regering zich wel aan de regels houdt, stuurde ik op 4 december 2002 mijn rapport “Rechter in eigen zaak” (4-12-2002) naar de Algemene Rekenkamer. In dit rapport verzoek ik de Algemene Rekenkamer een onderzoek in te stellen naar het gedrag van de regering in het conflict Trading Advice/Broersma versus de Overheid. Omdat met dit foute gedrag en de schending van bestendig beleid door de regering, het niet juiste gedrag van de Tweede Kamer, De Nationale Ombudsman, de Raad van State en het Openbaar Ministerie het algemeen belang geschaad is. Een frauderende Overheid, dat raakt iedere burger. Bovendien kan geconcludeerd worden, dat het overheidsapparaat mij de bescherming, van de door haar zelf ontworpen, wet onthoudt. Het landsbestuur blijkt ten minste reeds één burger niet eens de garantie te kunnen geven op de bescherming van de wet.

Maar ook bij de Algemene Rekenkamer ging er direct al iets fout. Op 21 januari 2003 deelde een medewerkster van de Algemene Rekenkamer mij mede, dat de Rekenkamer de drie door mij bij haar ingeleverde rapporten was kwijtgeraakt! Is dit een nieuw geval van pech, of reikt de lange arm der boze krachten zelfs nog tot in de rekenkamer?   

 

Oprichtingsdatum: 12.11.01
Laatst bijgewerkt: 04.02.03